Artikel 1
1. Voor de toepassing van artikel 56 van de Algemene Ouderdomswet( Stb.1985, 181) worden, zolang zij binnen het Rijk wonen, met Nederlanders gelijkgesteld niet-Nederlanders, die na het bereiken van de twintigjarige leeftijd gedurende ten minste vijftien jaren al dan niet onafgebroken binnen het Rijk hebben gewoond, mits zij gedurende de vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken binnen het Rijk hebben gewoond.
2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het wonen van een lid van de bemanning aan boord van een schip dat binnen het Rijk zijn thuishaven heeft, niet als wonen binnen het Rijk beschouwd.
2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het wonen van een lid van de bemanning aan boord van een schip dat binnen het Rijk zijn thuishaven heeft, niet als wonen binnen het Rijk beschouwd.