1. Ontslag van in vaste dienst aangestelde adjunct-directeuren op grond van opheffing van de school of de betrekking, dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de school, dat de werkzaamheden van één of meer adjunct-directeuren overbodig worden, geschiedt in de volgende rangorde:
a. zij, die zulks wensen;
b. zij, die de minste werkelijke diensttijd hebben, waarbij jongeren in leeftijd vóór ouderen gaan.
2. Degene, die als plaatsvervangend directeur is aangesteld, vloeit als laatste der adjunct-directeuren af, ongeacht zijn diensttijd.
3. Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid of wanneer het belang van de school dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de rangorde, bedoeld in het eerste en tweede lid worden afgeweken, met dien verstande, dat, indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de adjunct-directeuren kenbaar gemaakt plan.
4. Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in
artikel 40 van de wet, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan een zodanige school verbonden personeel, overleg is gepleegd.