De algemene voorschriften met betrekking tot het afbreken van zwangerschappen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, en 5 tot en met 7, zijn van overeenkomstige toepassing op de huisarts, bedoeld in
artikel 2, onderdeel b, van de wet, met dien verstande dat:
a. de beschikbaarheid van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde deskundigen ook het bieden van nazorg aan de vrouw omvat;
b. de zorgplicht van artikel 3, eerste lid, erop is gericht om te komen tot een zorgvuldige besluitvorming overeenkomstig artikel 6a, derde lid, van de wet;
c. de artikelen 6 en 7 van toepassing zijn indien de huisarts tot wie de vrouw zich heeft gewend voor het afbreken van de zwangerschap niet haar eigen huisarts is, in welk geval de controle, bedoeld in artikel 7, tweede lid, kan worden verricht door de huisarts die de afbreking van de zwangerschap heeft uitgevoerd.