1. De bezitter van een der bewijzen van bekwaamheid in de lijst van door of krachtens de
Overgangswet WVOvastgestelde bewijzen van bekwaamheid, genoemd onder de nummers 263, 263a, 264 of 264a die tussen 1 augustus 1979 en 1 augustus 1984 gedurende een al dan niet aaneengesloten periode van ten minste 40 schoolweken aan een school voor volledig dag-m.s.p.o. onderwijs heeft gegeven in het vak kennis van gezin en samenleving, is bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in het vak maatschappijleer aan scholen voor m.d.g.o.
2. a. De bezitter van het getuigschrift van met goed gevolg afgelegd doctoraalexamen in de farmacie die op 31 juli 1984 als leraar in een of meer der beroepsgerichte vakken op het gebied van de artsenijbereidkunde was verbonden aan een school voor m.h.n.o. of volledig dag-m.s.p.o. is bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in de beroepsgerichte vakken op het gebied van de artsenijbereidkunde aan scholen voor m.d.g.o.
b. De bezitter van het met goed gevolg afgelegd doctoraalexamen in de tandheelkunde die op 31 juli 1984 als leraar in een of meer der beroepsgerichte vakken op het gebied van de tandheelkunde was verbonden aan een school voor m.h.n.o. of volledig dag-m.s.p.o. is bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in de beroepsgerichte vakken op het gebied van de tandheelkunde aan scholen voor m.d.g.o.
3. De leraar die, daartoe bevoegd geacht zijnde, tussen 1 augustus 1979 en 1 augustus 1984 in een al dan niet aaneengesloten periode van ten minste 40 schoolweken onderwijs gaf aan een school voor m.h.n.o. en/of volledig dag-m.s.p.o. in het geïntegreerde vak maatschappijleer/geestelijke stromingen, is bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in de afzonderlijke vakken maatschappijleer en geestelijke stromingen aan scholen voor m.d.g.o.
4. De bezitter van een der bewijzen van bekwaamheid in de
bijlage bij de Overgangswet WVOgenoemd onder de nummers 64 en 65 die, daartoe geacht zijnde, tussen 1 augustus 1979 en 1 augustus 1984 gedurende een al dan niet aaneengesloten periode van ten minste 40 schoolweken onderwijs heeft gegeven in een der vakken menskunde A (= ‘gezondheidskunde’) of menskunde B (= ‘omgangskunde’) aan een CIOS is bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in het vak gezondheidskunde respectievelijk omgangskunde aan de afdeling Sport en bewegen van scholen voor m.d.g.o.