1. Voor degene, die zijn werkzaamheden in het kader van de
Wswwegens arbeidsongeschiktheid heeft moeten verminderen of beëindigen, en op wie gedurende deze werkzaamheden het bepaalde bij of krachtens
artikel 44 van de WAOvan toepassing was, vindt, wanneer de arbeidsongeschiktheid op de dag na beëindiging van het ziekengeld op grond van
artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewetdan wel na afloop van het in
artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekbedoelde tijdvak van 104 weken is toegenomen dan wel 80% of meer bedraagt, op die dag hernieuwde vaststelling van een dagloon plaats overeenkomstig het tweede lid, mits deze vaststelling leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. Deze hernieuwde vaststelling vindt niet plaats, indien de betrokkene binnen 26 weken na de aanvang van de Wsw-werkzaamheden deze wegens arbeidsongeschiktheid heeft moeten verminderen of beëindigen, terwijl de gezondheidstoestand ten tijde van die aanvang het intreden van deze arbeidsongeschiktheid binnen 26 weken kennelijk moest doen verwachten.
2. Bij hernieuwde vaststelling van een dagloon als bedoeld in het eerste lid, wordt het nieuwe dagloon gevormd door het overeenkomstig de dagloonregelen
WAOuit het inkomen uit het dienstverband ingevolge de
Wswberekende bedrag.
3. Indien de uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid recht had op een aanvulling op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge
artikel 6 van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid, zal de uitkering wordt verhoogd met het per dag tot uitbetaling komende bedrag van die aanvulling.
Dit voor zover en voor zolang de uitkeringsgerechtigde deze aanvulling had behouden indien hij niet zijn werkzaamheden in het kader van de
Wswwegens arbeidsongeschiktheid had moeten beëindigen.