1. De commissie heeft in het algemeen tot taak om de ontwikkeling van het participatie-onderwijs te bevorderen door het doen van voorstellen c.q. door het uitbrengen van adviezen met betrekking tot deze ontwikkeling aan de Minister. Zij doet dit op basis van de beleidsuitgangspunten en het beleidsperspectief zoals deze met betrekking tot die ontwikkeling zijn of zullen worden vastgesteld.
2. In het bijzonder heeft de commissie tot taak:
a. het nader uitwerken van de beleidsdoelen, die ten grondslag liggen aan het participatie-onderwijs; het nader uitwerken van het principe van het participerend leren, mede als bijdrage tot de vernieuwing van het gehele onderwijs ten behoeve van de 16-18-jarigen;
b. het formuleren van de uitgangspunten voor een landelijk innovatieplan, waarin de planmatige ontwikkeling van de onderwijsvernieuwing over de gehele breedte van het veld van ten minste het vormingswerk en het beroepsbegeleidend onderwijs/leerlingwezen wordt ondersteund door de resultaten van de experimenten, die gericht zijn op de ontwikkeling van het participatie-onderwijs;
c. het, na goedkeuring door de Minister van de uitgangspunten genoemd onder b., opstellen van een uitgewerkt innovatieplan voor de ontwikkeling van de onderwijsleercomponent, de praktijkopleidingscomponent en de maatschappijcomponent van het participatie-onderwijs;
3. Dit uitgewerkte innovatieplan omvat ten minste:
a. voorstellen voor een landelijk experimenteerplan, dat als kader kan dienen voor de onderwijskundige experimenten participatie-onderwijs (diepte-strategie);
b. voorstellen voor een ontwikkelingsplan, dat als landelijk kader kan dienen voor ten minste de instituten voor vormingswerk voor jeugdigen, de scholen voor beroepsbegeleidend onderwijs en de organen van het leerlingwezen in de onderscheiden fasen van het integratieproces (breedtestrategie);
c. alsmede voorstellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan ten behoeve van een goed verloop van het innovatieproces moet worden voldaan met name op het gebied van de informatieverstrekking en informatie-uitwisseling, de faciliteiten, de nascholing en de verzorgingsstructuur;
4. Met betrekking tot de door haar uit te brengen voorstellen en adviezen pleegt de commissie tijdig overleg met vertegenwoordigers van de betrokken instituten, scholen, organen en experimenten.