Artikel 1
1. De interest, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet van 22 mei 1845 (Stb. nr. 22), bedraagt zoveel twaalfde gedeelten van tien gulden per honderd gulden als er interestmaanden zijn aangevangen.
2. Onder interestmaand wordt verstaan iedere kalendermaand volgende op de laatste vervaldag van de aanslag.
3. Gedeelten van honderd gulden van de heffing worden verwaarloosd.
4. Interest wordt niet berekend over aanslagen welke minder dan f 1200 bedragen.
2. Onder interestmaand wordt verstaan iedere kalendermaand volgende op de laatste vervaldag van de aanslag.
3. Gedeelten van honderd gulden van de heffing worden verwaarloosd.
4. Interest wordt niet berekend over aanslagen welke minder dan f 1200 bedragen.