De commissie heeft tot taak de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, hierna te noemen de minister, desgevraagd of uit eigen beweging voorstellen te doen over de verlening van persoonlijke toelagen aan bejaarde filmkunstenaars.
1. De minister benoemt en ontslaat de leden, alsmede de voorzitter en de secretaris als zodanig, gehoord de Raad voor de Kunst.
2. De commissie wijst uit haar midden een vice-voorzitter aan.
De vergaderingen van de commissie kunnen worden bijgewoond door een ambtenaar van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Deze heeft een adviserende stem.
1. Na elke twee jaren, telkenmale per 1 september, treden twee leden af volgens een door de commissie opgesteld en door de minister goedgekeurd rooster.
2. Aftredende leden zijn onmiddellijk herbenoembaar.
3. De leden kunnen te allen tijde op verzoek worden ontslagen.
4. Hij, die tot lid is benoemd ter vervulling van een tussentijdse opengevallen plaats, treedt af op het ogenblik, waarop degene in wiens plaats hij is benoemd had moeten aftreden.
Voor de toekenning van een persoonlijke toelage aan een bejaard filmkunstenaar gelden in beginsel de volgende criteria:
1. zijn verdiensten op artistiek en organisatorisch gebied voor de ontwikkeling van de filmkunst in Nederland;
2. zijn financiële omstandigheden;
3. het bereikt hebben van de 65-jarige leeftijd.
Behalve met de in artikel 7genoemde criteria houdt de commissie in haar voorstellen rekening met de hoogte van het totale bedrag, waarover zij blijkens mededeling van de minister voorstellen kan doen.
Indien aan een bejaard filmkunstenaar in een bepaald jaar een toelage is toegekend, zal de commissie voorstellen hem voor het volgende jaar een toelage van ten minste gelijke hoogte te verlenen, behoudens in het geval, dat zijn financiële omstandigheden zijn verbeterd dan wel indien het totale bedrag, bedoeld in artikel 8, is verminderd.
De commissie kan desgevraagd of uit eigen beweging aan de minister in bijzondere gevallen een tussentijds voorstel doen inzake een aan een bejaard filmkunstenaar te verlenen toelage.
Aan de leden van de commissie wordt een vergoeding voor reis- en verblijfkosten verleend, volgens de regelen, welke voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten wegens reizen voor 's Rijksdienst gelden voor categorie B.
De voorstellen, nota's en rapporten van de commissie worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen en schriftelijk aan de minister aangeboden. Ieder lid is bevoegd een afwijkende mening daarin te doen opnemen.
De kosten voortvloeiende uit de door, namens of in opdracht van de commissie verrichte werkzaamheden komen, na verkregen goedkeuring van de minister, ten laste van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen van het Besluit Post- en Archiefzaken rijksadministratie 1950 (Stb. K 425) op overeenkomstige wijze als ten departemente van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
De bescheiden worden bij opheffing van de commissie opgenomen in het archief van het departement.