Artikel 1
1. De volgende personen worden aangewezen en belast met het toezicht op de uitvoering van de Monumentenwet: C. J. Bardet, te Rijswijk; G. A. C. Beex, te Eindhoven; ir. G. Berends, te 's-Gravenhage; H. P. van Beveren, te Nijmegen; drs. J. H. F. Bloemers, te Amersfoort; drs. J. W. Boersma, te Roden; H. J. Botti, te 's-Gravenhage; J. H. van Bruggen, te Amersfoort; ir. P. van Dun, te Kesteren; H. Th. D. Dijkstra, te Leiden; drs. H. C. van Eck, te Zoetermeer; G. Elzinga, te Leeuwarden; L. J. Ensing, te 's-Gravenhage; prof. dr. W. A. van Es, te Amersfoort; B. Esbach, te Voorburg; M. K. Fehres, te Haarlem; J. T. M. Gunneweg, te Schiedam; drs. O. H. Harsema, te Roden; G. D. van der Heide, te Schokland (gemeente N.O.-polder); J. A. Heydra, te Vlaardingen; N. Heyligenberg, te Leusden; P. C. Houttuin, te Bilthoven; drs. R. S. Hulst, te Baarn; D. J. van Iperen, te Voorburg; H. Janse, te Amsterdam; D. J. de Jong, te Delft; S. de Jong, te Zaandam; drs. R. H. J. Klok, te Amersfoort; mr. J. Korf, te Voorburg; W. A. Korpershoek, te Waddinxveen; W. Kramer, te Amersfoort; H. H. J. Kurvers, te Amsterdam; J. Meffert, te Leersum; ir. R. Meischke, te 's-Gravenhage; H. Mooibroek, te Cothen; H. J. van Nieuwenhoven, te Rijswijk; jhr. ir. L. L. M. van Nispen tot Sevenaer, te Meteren; J. O. Postel, te Nuth; drs. H. Sarfatij, te Amersfoort; P. J. Schaap, te Zeist; J. P. Staal, te Bergen op Zoom; J. Stapper, te Amersfoort; prof. dr. mr. C. A. van Swigchem, te Delft; W. J. van Tent, te Amsterdam; ir. J. A. Trimpe Burger, te Aardenburg; J. J. Uppelschoten, te Oirschot; drs. A. D. Verlinde, te Amersfoort; W. F. C. Vermeer, te Haarlem; dr. ir. J. C. Visser, te Maasland; mr. J. D. Chr. de Vries, te 's-Gravenhage; R. J. Wielinga, te Amsterdam.
2. De in het eerste lid bedoelde personen (opsporingsambtenaren Monumentenwet) ontvangen een legitimatiebewijs, dat door of vanwege de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk – hierna te noemen: de minister – wordt getekend.
3. De opsporingsambtenaren dienen bij het verrichten van hun werkzaamheden het legitimatiebewijs bij zich te dragen.
2. De in het eerste lid bedoelde personen (opsporingsambtenaren Monumentenwet) ontvangen een legitimatiebewijs, dat door of vanwege de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk – hierna te noemen: de minister – wordt getekend.
3. De opsporingsambtenaren dienen bij het verrichten van hun werkzaamheden het legitimatiebewijs bij zich te dragen.