1. De ondernemer die bij de aanvang van 1 januari 1969 krachtens opdracht, anders dan in onderaanneming, een werk in onroerende staat onder handen heeft of een door hem vervaardigd onroerend goed in ongebruikte staat ten verkoop in voorraad heeft, wordt op 31 december 1968 over de waarde daarvan 3,6 percent belasting verschuldigd. Artikel 2, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde wordt gesteld op een aan het tot stand gekomen gedeelte van het werk evenredig deel van de vergoeding in de zin van artikel 11 van de Wet op de Omzetbelasting 1954 of, ingeval het werk niet in opdracht is uitgevoerd, op een zodanig evenredig deel van de verkoopwaarde van het onroerend goed in voltooide staat.
3. Artikel 2, eerste lid, blijft buiten toepassing ten aanzien van en de in
artikel 43 van de wetbedoelde teruggaaf van belasting wordt niet verleend voor onder het eerste lid vallend onroerend goed.
4. Bij levering van het onroerend goed na 31 december 1968 wordt de in het eerste lid bedoelde waarde in mindering gebracht op de vergoeding waarover het in
artikel 9, eerste lid, van de wetgenoemde percentage is verschuldigd, mits het onroerend goed niet inmiddels als bedrijfsmiddel is gebruikt.
5. Bij toepassing van het vierde lid wordt aan de afnemer van het onroeden goed die het als bedrijfsmiddel gebruikt, op de voet van
artikel 15 van de weteen aanvullende aftrek van belasting verleend. Deze aftrek bedraagt voor goederen als zijn bedoeld in
artikel 45, tweede lid, letter b, van de wet, 8 percent en in andere gevallen bij levering in 1969, 1970, 1971 1972 of latere jaren 30, onderscheidenlijk 30, 60, 67 of 100 percent van 8 percent van de in het eerste lid bedoelde waarde. Indien blijkt, dat de in die waarde begrepen belasting in betekenende mate afwijkt van het percentage van 8, kan de inspecteur — al dan niet op verzoek — bij beschikking een ander percentage vaststellen.
6. Ingeval aan een ondernemer op grond van
artikel 43 van de wetteruggaaf wordt verleend van belasting voor niet onder het eerste lid vallend onroerend goed, blijft op de eerste levering van dat goed na 31 december 1968 de vrijstelling van
artikel 11, letter a, van de wetbuiten toepassing.