Artikel 1
1. Het vitaminegehalte van een monovitaminepreparaat, naar zijn aard bestemd te worden gebruikt voor genezing of voorkoming van enige aandoening, ziekte, ziekteverschijnselen of gebrek bij de mens, mag:
a. niet minder bedragen dan 90% van het op de verpakking of in een geschrift, gevoegd bij of in de verpakking, op te geven gehalte;
b. indien het één der op de bij dit besluit behorende lijst vermelde vitaminen bevat, niet meer bedragen dan het op die lijst vermelde percentage van het onder a bedoelde opgegeven gehalte.
2. Bij de bepaling van het vitaminegehalte moet rekening worden gehouden met de standaardafwijking van de gebruikte analysemethode.
a. niet minder bedragen dan 90% van het op de verpakking of in een geschrift, gevoegd bij of in de verpakking, op te geven gehalte;
b. indien het één der op de bij dit besluit behorende lijst vermelde vitaminen bevat, niet meer bedragen dan het op die lijst vermelde percentage van het onder a bedoelde opgegeven gehalte.
2. Bij de bepaling van het vitaminegehalte moet rekening worden gehouden met de standaardafwijking van de gebruikte analysemethode.