Artikel 1
De bepalingen van de Uitkeringsregeling 1966( Stb. 1979, nr. 622) zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 ( Stb. 1970, nr. 74), op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst genomen personen, met dien verstande dat:
a. voor zover die bepalingen betrekking hebben op Onze Minister van Binnenlandse Zaken, zij geacht worden van toepassing te zijn op Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
b. onder "pensioen" in die bepalingen mede is begrepen de onderstand bij wijze van pensioen, bedoeld in artikel 114 van genoemd Reglement van de Buitenlandse Dienst;
c. in artikel 7, lid 1 onder b voor "binnen het Rijk in dienstbetrekking" wordt gelezen "in dienst van het Rijk";
d. artikel 7, lid 6 onder F niet van toepassing is;
e. in artikel 24, lid 3 voor "artikel 42, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, of artikel 32c, zevende lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit" wordt gelezen "artikel 110 van meergenoemd Reglement van de Buitenlandse Dienst".
a. voor zover die bepalingen betrekking hebben op Onze Minister van Binnenlandse Zaken, zij geacht worden van toepassing te zijn op Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
b. onder "pensioen" in die bepalingen mede is begrepen de onderstand bij wijze van pensioen, bedoeld in artikel 114 van genoemd Reglement van de Buitenlandse Dienst;
c. in artikel 7, lid 1 onder b voor "binnen het Rijk in dienstbetrekking" wordt gelezen "in dienst van het Rijk";
d. artikel 7, lid 6 onder F niet van toepassing is;
e. in artikel 24, lid 3 voor "artikel 42, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, of artikel 32c, zevende lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit" wordt gelezen "artikel 110 van meergenoemd Reglement van de Buitenlandse Dienst".