BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 9c
Mijnreglement 1964
c ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming wijzen een of meer arbeiders aan die zich met de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico’s op de mijn- of boorwerken of bij mijnbouwkundige onderzoekingen zullen bezighouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. 2 De aangewezen arbeiders mogen geen nadeel ondervinden van hun activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's. Zij moeten, ten einde de uit dit reglement voortvloeiende verplichtingen te kunnen nakomen, over voldoende tijd beschikken. 3 Indien de mogelijkheden op de mijn- of boorwerken of bij mijnbouwkundige onderzoekingen onvoldoende zijn om deze beschermings- en preventieactiviteiten te organiseren, moet een beroep gedaan worden op deskundige personen of diensten van buiten de onderneming. 4 Indien een beroep gedaan wordt op deskundigen als bedoeld in het derde lid, moeten de betrokken personen of diensten worden geïnformeerd over de factoren, waarvan bekend is of vermoed wordt dat zij van invloed zijn op de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders, en toegang hebben tot alle in artikel 12, tweede lid, bedoelde informatie. 5 In alle gevallen moeten: a. de aangewezen arbeiders over de benodigde capaciteiten en middelen beschikken, b. de in het derde lid bedoelde personen of diensten de nodige bekwaamheden hebben en over de nodige personele en professionele middelen beschikken en c. de aangewezen arbeiders en de geraadpleegde personen of diensten voldoende in aantal zijn om de beschermings- en preventieactiviteiten op zich te nemen, afhankelijk van de grootte van de mijn- of boorwerken en de risico’s waaraan de arbeiders zijn blootgesteld, en afhankelijk van de verdeling van de risico’s over het gehele mijn- of boorwerk. 6 De in dit artikel bedoelde bescherming tegen en preventie van risico’s voor de veiligheid en de gezondheid kan worden opgedragen aan de veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 144, en de bedrijfsgeneeskundige dienst, bedoeld in artikel 223. De diensten moeten voor zover nodig samenwerken. 7 Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in het eerste en vijfde lid bepaalde.