BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 97
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Ter plaatse waar arbeid wordt verricht moet een verlichting aanwezig zijn, welke voor deze arbeid voldoende en doelmatig is. Er moet, voor zover mogelijk, voldoende daglicht kunnen binnenkomen en er dienen, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden, de nodige voorzieningen voor een adequate kunstverlichting aanwezig te zijn om de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders te beschermen. De verlichtingsinstallaties in werkruimten en verbindingswegen moeten zodanig zijn aangebracht dat de verlichting geen ongevallenrisico’s voor de arbeiders oplevert. 2 Portalen, gangen, trappen en andere toegangswegen, was-, bad- en kleedgelegenheden, magazijnen, bergplaatsen en terreinen moeten op tijden, dat arbeiders, die niet uitsluitend belast zijn met bewaking, daarvan gebruik moeten maken, voor dat gebruik voldoende en doelmatig zijn verlicht. 3 In wacht- en schaftlokalen, alsmede in loonhallen moet een voldoende en doelmatige verlichting aanwezig zijn. 4 Privaten en urinoirs moeten zodanig zijn verlicht, dat zij behoorlijk zijn te gebruiken en dat goed kan worden waargenomen of zij in zindelijke staat verkeren. 5 Arbeidsplaatsen waar arbeiders bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico’s zijn blootgesteld, moeten met een doelmatige en voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust. 6 Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt niet ten aanzien van mijnbouwinstallaties.