BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 279
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Op de bovengrondse werken, zomede op boorwerken moeten op geschikte en gemakkelijk bereikbare plaatsen aanwezig zijn: a. een voldoende aantal doelmatige, voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde en in voldoend gereinigde toestand verkerende toestellen, die het mogelijk maken door te dringen in een atmosfeer, waarin verstikkende of giftige gassen aanwezig zijn of in een met radioactieve stof besmette atmosfeer; b. een voldoende hoeveelheid doelmatig, voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd en in voldoend gereinigde toestand verkerend ander materieel, nodig voor het ondergronds en bovengronds uitvoeren van reddingswerk; c. een voldoende aantal voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde doelmatige reddingmiddelen om de mijnbouwinstallatie of het boorwerk zo nodig onverwijld en op veilige wijze te kunnen verlaten; d. een of meer doelmatig samengestelde groepen van in het gebruik van reddingsmiddelen als onder a , b en c bedoeld voldoend geoefende personen; e. een doelmatig register van die personen en van de door hen gehouden oefeningen. 2 Wanneer evacuatie moet geschieden langs moeilijke vluchtwegen of via plaatsen waar de lucht niet of mogelijk niet ingeademd kan worden, moet zelfreddingsapparatuur voor onmiddellijk gebruik op de werkplek ter beschikking van de arbeiders staan. 3 Tot het houden van oefeningen moet een doelmatige ruimte beschikbaar zijn, die met rook en verstikkende gassen kan worden gevuld. 4 Aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen dient jaarlijks een op het volgende kalenderjaar betrekking hebbend doelmatig reddingsplan voor alle tot de betrokken mijnonderneming behorende mijn- of boorwerken te worden toegezonden; het moet tenminste 14 dagen vóór de aanvang van het betrokken kalenderjaar in zijn bezit zijn. 5 In geval in de loop van enig kalenderjaar met de aanleg van een mijn- of boorwerk wordt begonnen, dient tijdig tevoren een op dat jaar en dat werk betrekking hebbend doelmatig reddingsplan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen te worden toegezonden. 6 Onze Minister bepaalt, welke gegevens in een reddingsplan moeten zijn vermeld. Het reddingsplan dat betrekking heeft op een mijnbouwinstallatie moet een noodplan omvatten voor gevallen waarin iemand overboord valt of de arbeidsplaats moet worden geëvacueerd. Het noodplan, dat moet zijn gebaseerd op het in artikel 14 f bedoelde veiligheids- en gezondheidsdocument, moet voorzien in het gebruik van bijstandsboten (standby vessels) en helikopters en moet criteria bevatten voor de capaciteit en de reactietijd daarvan. De vereiste reactietijd moet in het veiligheids- en gezondheidsdocument van elke installatie zijn vermeld. 7 Onze Minister kan voor een door hem aangewezen mijn- of boorwerk van het in het eerste en het tweede lid bepaalde ontheffing verlenen; hij kan daarbij goedkeuren, dat bepaalde mijnondernemingen voor de uitvoering van het in die leden bepaalde een gemeenschappelijke reddingsdienst vormen.