BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 249
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Het ontstaan en de verspreiding van schadelijke of hinderlijke gassen, dampen of nevels of van schadelijk of hinderlijk stof in een ruimte of op een plaats, waar personen plegen aanwezig te zijn, moeten worden voorkomen. Waar dit niet mogelijk is moeten doelmatige maatregelen worden genomen tot afvoer daarvan. Het afvoersysteem moet in staat zijn schadelijke stoffen in de atmosfeer te verdunnen zonder risico’s voor de arbeiders. 2 Indien personen, ondanks ingevolge het eerste lid genomen maatregelen, blootstaan aan de invloed van schadelijke of hinderlijke gassen, dampen of nevels of van schadelijk of hinderlijk stof, moeten zij op doelmatige wijze daartegen worden beschermd. 3 Met het oog op de uitvoering van het eerste en het tweede lid kan Onze Minister voor de concentratie van gassen, dampen, nevels en stof grenswaarden vaststellen. 4 Doelmatige metingen moeten worden verricht om te kunnen beoordelen of aan het eerste en het tweede lid, met inachtneming van het krachtens het derde lid bepaalde, is voldaan. Onze Minister kan bepalen, waar en wanneer deze metingen moeten worden verricht. 5 Doelmatige maatregelen moeten worden genomen voor het evalueren van de aanwezigheid en het meten van de concentratie van schadelijke stoffen in de atmosfeer. 6 Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, moet bewakingsapparatuur voor het automatisch en continu registreren van de gasconcentraties op bepaalde plaatsen, automatische alarminstallaties en voorzieningen voor de automatische afsluiting van de stroomtoevoer naar elektrische installaties en voor het automatisch stopzetten van verbrandingsmotoren worden aangebracht. 7 Van automatische metingen moeten de meetwaarden worden geregistreerd en bewaard.