BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 248
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Op de bovengrondse werken moet, een doelmatige was-, bad- en kleedgelegenheid aanwezig zijn, waar tevens kleding en schoeisel kunnen worden verwisseld, bewaard en gedroogd. Deze gelegenheid moet voldoende zijn voor de sterkst bezette ploeg. 2 Indien de plaats van de was-, bad- en kleedgelegenheid naar het oordeel van Onze Minister voor personen op de bovengrondse werken, wier arbeid wassen, baden of verwisseling van kleding wenselijk maakt, niet doelmatig is, moet op een of meer door of vanwege de bestuurders van de betrokken mijnonderneming, onder goedkeuring van Onze Minister, aangewezen plaatsen voor die personen een doelmatige was- of bad- en kleedgelegenheid aanwezig zijn. 3 Indien Onze Minister zulks nodig oordeelt, moet voor personen op boorwerken of bij mijnbouwkundige onderzoekingen op door of vanwege de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of, in artikel 12, eerste lid, bedoelde, andere onderneming, onder goedkeuring van Onze Minister, aangewezen plaatsen voldoende en doelmatige was-, bad- en kleedgelegenheid aanwezig zijn. 4 De in het eerste, het tweede en het derde lid bedoelde gelegenheden moeten in zindelijke toestand worden gehouden, zomede doelmatig geventileerd worden en voldoende verwarmd zijn. 5 In de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde was- en badgelegenheden moet voldoende zuiver warm en koud stromend water aanwezig zijn. Het gebruikte water moet onmiddellijk kunnen wegvloeien. 6 Onze Minister kan voorschrijven, dat bepaalde personen of groepen van personen na het beëindigen der werkzaamheden van een gelegenheid als in het eerste, het tweede of het derde lid bedoeld gebruik moeten maken. 7 Een gelegenheid als in het eerste, het tweede of het derde lid bedoeld mag niet gelijktijdig voor beide seksen toegankelijk zijn, tenzij deze zodanig is ingericht, dat ieder zich gescheiden van personen van de andere sekse kan wassen, baden en uit- en aankleden. 8 Het is verboden gelijktijdig met een ander van één badcel gebruik te maken. 9 De inrichting van de in het eerste, het tweede en het derde lid bedoelde gelegenheden moet zodanig zijn, dat personen beneden 18 jaar zich gescheiden van de ouderen kunnen uit- en aankleden en afzonderlijk kunnen baden.