BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 24
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Werklokalen, wacht- en schaftlokalen, was-, bad- en kleedlokalen, kantoren en andere ruimten, waarin personen plegen aanwezig te zijn, moeten verlaten kunnen worden door twee uitgangen, die zich zo mogelijk aan tegenover elkaar liggende zijden van de ruimte moeten bevinden. 2 In gebouwen, waarin geen door de inrichting, de bouwwijze of de ligging van het gebouw dan wel door de aard of de wijze van bewerking, verwerking of bewaring van de daarin aanwezige stoffen verhoogd gevaar voor brand, snelle bedwelming, vergiftiging of huidverbranding bestaat, kan in afwijking van het in het eerste lid bepaalde met één uitgang worden volstaan voor een ruimte als in dat lid bedoeld: a. waarin in de regel niet meer dan 25 personen aanwezig zijn en waarvan de vloer hetzij minder dan 2,50 meter boven, hetzij minder dan 1,50 meter beneden de begane grond buiten het gebouw, waarvan de ruimte deel uitmaakt, is gelegen, mits de uitgang een buitenuitgang is; b. waarin in de regel niet meer dan 10 personen aanwezig zijn, mits de uitgang leidt naar tenminste twee afzonderlijke wegen, waarlangs de begane grond buiten het gebouw kan worden bereikt; c. welke deel uitmaakt van een gebouw, waarin in de regel niet meer dan 25 personen aanwezig zijn, wanneer in de ruimte een tweede uitgang niet kan worden aangebracht, mits een doelmatige gelegenheid tot ontkoming aanwezig is, of - wanneer ook deze niet kan worden tot stand gebracht - over een doelmatige mogelijkheid tot redding wordt beschikt. 3 De in het eerste lid en in het tweede lid, onder a en c , bedoelde uitgangen moeten elk langs een afzonderlijke weg naar de begane grond buiten het gebouw leiden. 4 Met betrekking tot gebouwen van brandwerende constructie, waarin geen licht brandbare, aan zelfontbranding onderhevige of ontplofbare stoffen worden bewerkt, verwerkt of bewaard, mag van het in het derde lid bepaalde worden afgeweken, mits van eenzelfde weg in de regel niet meer dan 100 personen gebruik behoeven te maken. 5 De in het eerste lid bedoelde ruimten en de daarbij behorende uitgangen en wegen moeten zodanig zijn ingericht en zich in zodanige staat bevinden, dat de in de ruimte aanwezige personen te allen tijde voldoende snel en op veilige wijze kunnen ontkomen. 6 Onze Minister kan van het in het eerste en het derde lid bepaalde ontheffing verlenen. 7 Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet ten aanzien van mijnbouwinstallaties.