BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 236b
Mijnreglement 1964
b ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Werktuigen, werktuigdelen, drijfwerken, gereedschappen, ketels en andere toestellen, met alles wat daartoe behoort, moeten van zodanige constructie zijn, zodanig zijn ingericht, opgesteld of ondersteund zijn en zodanig worden onderhouden, dat zij bij het in werking zijn geen schadelijk geluid veroorzaken, tenzij zulks redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 2 Het verrichten van werkzaamheden moet zodanig geschieden dat daarbij geen schadelijk geluid wordt veroorzaakt, tenzij zulks redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 3 Indien de uitzondering, vervat in de laatste zinsnede van het eerste of tweede lid, van toepassing is, moeten overeenkomstig een programma doelmatige voorzieningen zijn aangebracht, waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat schadelijk geluid heerst in een ruimte waarin personen arbeid verrichten, tenzij zulks redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 4 In gevallen waarin voorzieningen, aangebracht ingevolge het derde lid, de daar bedoelde personen onvoldoende bescherming bieden tegen het schadelijk geluid en in gevallen waarin het aanbrengen van vorenbedoelde voorzieningen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moeten overeenkomstig een programma doeltreffende maatregelen genomen zijn om de blootstellingsduur alsmede het aantal personen die aan schadelijk geluid worden blootgesteld zo veel mogelijk te beperken. 5 Onze Minister kan met betrekking tot mijnbouwkundig werk één of meer niveaus vaststellen, waarboven geluid voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt geacht schadelijk te zijn in de zin van die leden. 6 De betrokken personen en, indien aanwezig, de ondernemingsraad worden in kennis gesteld van de redenen waarom de in de laatste zinsnede van het eerste, tweede en derde lid vervatte uitzonderingen van toepassing zijn, van de ingevolge het derde lid aangebrachte voorzieningen en van de ingevolge het vierde lid genomen maatregelen.