BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 234c
Mijnreglement 1964
c ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 In dit artikel wordt onder "kankerverwekkende stof" verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Arbeidsomstandighedenbesluit . 2 Bij werkzaamheden bij, op of in een mijnwerk of een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen is het bij en krachtens hoofdstuk 4 , afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. de Inspecteur-Generaal der Mijnen in de plaats treedt van het districtshoofd; b. de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming in de plaats treden van de werkgever; c. de personen die werkzaam zijn bij, op of in een mijnwerk of een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen in de plaats treden van de werknemers; d. bij de in artikel 4.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde beoordeling bijzondere aandacht wordt besteed aan de eventuele gevolgen voor de veiligheid of de gezondheid van bijzonder kwetsbare risicogroepen en aan de wenselijkheid de betrokken personen niet te werk te stellen op plaatsen waar zij in contact kunnen komen met kankerverwekkende stoffen. 3 Voorts zijn, met inachtneming van het tweede lid, onder a , b en c , vrijstellingen, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van artikel 30, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 verleend van de bij of krachtens hoofdstuk 4 , afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit vastgestelde voorschriften, van overeenkomstige toepassing. 4 Personen, die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling aan kankerverwekkende stoffen bestaat, moeten een voldoende en tevens doelmatige opleiding op basis van alle beschikbare gegevens krijgen met name in de vorm van voorlichting en instructies. Deze opleiding moet worden aangepast aan de ontwikkeling van de risico’s en aan het ontstaan van nieuwe risico’s en, indien nodig, op gezette tijden worden herhaald. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen waarop deze opleiding in ieder geval betrekking moet hebben. 5 De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan, de betrokken personen worden geraadpleegd en hebben medezeggenschap omtrent de materie die onder het tweede lid, onder d , valt. 6 Indien is aangetoond of redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat een persoon aan kanker lijdt als een gevolg van blootstelling aan een kankerverwekkende stof op het werk, moet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen. 7 Onze Minister kan ter bevordering van een goede uitvoering van het tweede lid nadere regelen stellen.