BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 227
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Een bedrijfsgeneeskundige dienst geeft bij het uitoefenen van de in artikel 226 omschreven taak geen adviezen en past geen behandelingen toe, welke treden in de verhouding van de patiënt tot zijn huisarts; hij onthoudt zich na het constateren van een ziekte of afwijking van verrichtingen, welke behoren tot het terrein, waarop consultatiebureaus en soortgelijke instellingen van gezondheidszorg plegen werkzaam te zijn. 2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet: a. voor zover een huisarts, een consultatiebureau of een instelling als in dat lid bedoeld een verzoek deed tot het behandelen van de patiënt en deze daartegen geen bezwaar heeft; b. indien en zolang een patiënt door weersomstandigheden of anderszins niet van een mijnbouwinstallatie naar de vaste wal kan worden vervoerd; c. indien een bedrijfsgeneeskundige dienst aan een persoon, die werkzaam is in een mijnonderneming, waaraan die dienst is verbonden, eerste hulp bij een ongeval of een beroepsziekte heeft verleend, ten aanzien van de verdere genees- of heelkundige behandeling met betrekking tot dat ongeval of die ziekte, in gevallen, waarin de patiënt met zodanige behandeling instemt en hij ten gevolge van het ongeval of de ziekte: 1°. zijn arbeid niet heeft onderbroken, of 2°. zijn arbeid heeft onderbroken, doch ambulant blijft en de behandeling van het letsel of de ziekte naar verwachting van de bedrijfsgeneeskundige dienst een door Onze Minister te bepalen termijn van ten hoogste vijf weken, welke termijn naar gelang van de aard van het uitgeoefende bedrijf kan verschillen, niet zal overschrijden; d. indien in gevallen als bedoeld onder c , 2°, na de daarbedoelde termijn nog behoefte aan behandeling blijkt te bestaan en de patiënt en diens huisarts met voortzetting van de behandeling door de bedrijfsgeneeskundige dienst instemmen. 3 Een bedrijfsgeneeskundige dienst mag verdere genees- of heelkundige behandeling als in het tweede lid, onder c , bedoeld slechts verstrekken, indien daartoe op een desbetreffende aanvraag door Onze Minister toestemming is verleend. Zodanige toestemming wordt verleend, indien aan de bedrijfsgeneeskundige dienst een zodanig aantal ter zake bekwame artsen en geneeskundige hulpkrachten is verbonden en hij kan beschikken over een zodanige huisvesting en outillage, dat bedoelde behandeling op verantwoorde wijze kan geschieden. 4 Een toestemming als in het derde lid bedoeld wordt niet verleend dan onder de voorwaarden: a. dat de bedrijfsgeneeskundige dienst in gevallen als bedoeld in het tweede lid onder c , 2°, zodra met de verdere genees- of heelkundige behandeling van een persoon is begonnen, de huisarts van de betrokken persoon daarvan in kennis moet stellen, onder opgave van de aard van het letsel of de beroepsziekte van die persoon; b. dat de bedrijfsgeneeskundige dienst dag en nacht beschikbaar moet zijn voor het met gebruikmaking van die toestemming verstrekken van genees- en heelkundige behandeling; c. dat in lokalen voor de voorlopige verzorging van gewonden en zieken, in schaftlokalen en op plaatsen, waar het loon pleegt te worden uitbetaald, een duidelijk leesbare kennisgeving op een voor een ieder waarneembare plaats moet zijn opgehangen, vermeldende dat een persoon, die door een bedrijfsongeval of een beroepsziekte is getroffen, te allen tijde bevoegd is om zich na de verlening van eerste hulp verder te doen behandelen door een door hemzelf gekozen, niet aan de bedrijfsgeneeskundige dienst verbonden, arts. 5 Een toestemming als in het derde lid bedoeld kan door Onze Minister worden ingetrokken, indien de betrokken bedrijfsgeneeskundige dienst de in het tweede lid, onder c , bedoelde behandeling niet meer op doeltreffende wijze verstrekt of kan verstrekken, dan wel indien een voorwaarde als in het vierde lid bedoeld niet wordt nagekomen.