BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 179
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Het is verboden met vuur en ontplofbare of licht ontvlambare stoffen op niet veilige wijze om te gaan. 2 Ten aanzien van een plaats of een ruimte, waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter voorkoming van brand. 3 Ten aanzien van een plaats of een ruimte, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, en ten aanzien van de naaste omgeving daarvan, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter voorkoming van ontploffing. Deze stoffen mogen aldaar niet in een grotere hoeveelheid voorhanden worden gehouden dan voor de goede gang van het werk is vereist en bij een werkpunt niet in grotere hoeveelheid dan voor het gebruik op één dag nodig is. 4 Uitsluitend bij noodzakelijke werkzaamheden van tijdelijke aard mag op plaatsen of in ruimten als in het tweede of het derde lid bedoeld en in de naaste omgeving daarvan open vuur worden gebruikt, doch dan is voor deze werkzaamheden in elk afzonderlijk geval een schriftelijke toestemming van de bedrijfsleiding vereist, waarin doelmatige veiligheidsmaatregelen moeten zijn aangegeven. 5 Het is verboden op plaatsen of in ruimten als in het tweede of het derde lid bedoeld en in de naaste omgeving daarvan te roken. 6 De krachtens artikel 3, met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde maatregelen, door Onze Minister vastgestelde nadere regelen moeten onder meer betrekking hebben op: a. de wijze van verlichting; b. het aanwezig hebben van gereedschap, apparaten, werktuigen, voertuigen of onderdelen daarvan; c. het bij zich hebben van rookmateriaal, rookgereedschap, lucifers, aanstekers of andere middelen om vuur te verwekken. Deze regelen kunnen, voor wat het onder b en c gestelde betreft, een verbod inhouden. 7 Onze Minister kan van het in het tweede, derde en vierde lid bepaalde ontheffing verlenen, alsook met betrekking tot het aldaar bepaalde nadere regelen stellen.