BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 153
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Gebouwen en andere opstallen, alsmede vaartuigen en andere drijvende inrichtingen, met alles wat daartoe behoort, moeten in zodanige toestand verkeren, dat zij geen gevaar kunnen veroorzaken. 2 Het herstellen, het onderhouden, het wijzigen, het uitbreiden en het slopen van gebouwen of constructie- of kunstwerken dienen op veilige wijze te geschieden. Daarbij moeten zo nodig voldoende maatregelen worden genomen om het instorten, omvallen of breken van gebouwen of constructie- of kunstwerken, of van de toegepaste stut- en hulpconstructies, te voorkomen en om de arbeiders zoveel mogelijk tegen ongevallen als gevolg daarvan te beschermen. 3 Een steiger of stelling, met alles wat daartoe behoort, moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk. Zij moet voorts zodanig zijn bevestigd en samengesteld, dat bij normaal gebruik geen der onderdelen zich kan verplaatsen. 4 Vloeren, trappen, ladders, klimijzers, bordessen, gaanderijen, steigers, stellingen, afdekkingen van vloeropeningen, putdeksels, loopbruggen en glij-, loop- en kruiplanken moeten zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal en in goede staat van onderhoud verkeren. Zij moeten voldoende breed en voldoende sterk zijn in verband met de belasting, waaraan zij zullen worden onderworpen. Zij moeten zodanig zijn gemaakt, dat geen onderdeel in sterke mate of ten opzichte van een ander onderdeel ongelijkmatig kan doorbuigen. Voor zover zij gevaar opleveren, moeten daartegen doelmatige voorzieningen zijn getroffen. 5 Een heistelling, met alles wat daartoe behoort, moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. 6 Het ontwerpen, berekenen en construeren van constructiewerken en van stut- en hulpconstructies moet vakkundig en met zorg geschieden en wel zodanig, dat deze constructiewerken, stut- en hulpconstructies voldoen aan de eis van goed en veilig werk. Een volledig overzicht moet worden opgesteld van de ongunstigste in de constructies berekende krachten en spanningen en van de wijze, waarop de krachten op de ondersteuningen worden overgebracht. Laatstgenoemde krachten moeten door de ondersteuningen kunnen worden opgenomen, zonder bezwaar voor het gehele bouwwerk. 7 Vloeren van ruimten moeten vrij zijn van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen; zij moeten vast, stabiel en slipvrij zijn. 8 Transparante of lichtdoorlatende wanden in ruimten of in de omgeving van werkplekken en wegen moeten duidelijk zijn gemarkeerd en van veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd of op zodanige wijze van die werkplekken en wegen zijn afgescheiden dat de arbeiders niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken. 9 Toegang tot daken die zijn vervaardigd van materialen die niet voldoende weerstand bieden is slechts toegestaan, indien uitrusting wordt verstrekt waardoor het betrokken werk veilig kan worden uitgevoerd.