BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 143e
Mijnreglement 1964
e ... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Een pijpleiding als in artikel 143 c , eerste lid, bedoeld moet, tijdig voordat zij in gebruik wordt genomen, door een terzake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht op haar deugdelijkheid. 2 Indien de pijpleiding in of op de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36 e , eerste lid, bedoeld is gelegd, moet: a. het in het eerste lid van dit artikel bedoelde onderzoek bovendien zijn gericht op de nauwkeurige vaststelling van het traject, waarlangs zij is gelegen, en, voor zover de leiding in de bodem van het oppervlaktewater is gelegen, de diepte waarop zij daarin ligt; b. de pijpleiding binnen door Onze Minister aangegeven termijnen periodiek, alsmede tussentijds, indien en voor zover hij zulks verlangt, door een terzake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht: 1°. indien zij op de bodem van het oppervlaktewater is gelegd, ter vaststelling van mogelijke afwijkingen van haar ligging ten opzichte van het traject, zoals opgegeven ingevolge artikel 143 a , eerste lid, onder a , of aangegeven krachtens artikel 143 b , dan wel toegestaan krachtens artikel 143 f , tweede lid; 2°. indien zij in de bodem van het oppervlaktewater is gelegd, ter vaststelling van haar mogelijk ondiepere ligging daarin dan opgegeven ingevolge artikel 143 a , eerste lid, onder b , of aangegeven krachtens artikel 143 b , dan wel toegestaan krachtens artikel 143 f , tweede lid. 3 Indien en voor zover bij een onderzoek krachtens het tweede lid, onder b , 2°, een ondiepere ligging van de pijpleiding als daar bedoeld wordt geconstateerd en zij door die ondiepere ligging gevaar kan opleveren, moet dat onderzoek mede zijn gericht op mogelijke afwijkingen van de ligging der pijpleiding ten opzichte van het traject als in dat lid, onder b , 1°, bedoeld. 4 Ten minste twee weken voordat met een onderzoek ingevolge het eerste of tweede lid wordt aangevangen moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen schriftelijk worden medegedeeld door welke instelling of onderneming het onderzoek zal worden verricht. 5 Van ieder ingevolge het eerste of tweede lid verricht onderzoek moet een doelmatig rapport worden opgesteld, waarvan binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan hem en de Inspecteur-Generaal der Mijnen een afschrift dient te worden toegezonden, zomede, indien de pijpleiding op of in de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36 a , tweede lid, onder a of b , bedoeld is gelegen, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie en de Directeur-Generaal van Loodswezen, Betonning, Bebakening en Verlichting onderscheidenlijk de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.