BWBR0002474
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 121
Mijnreglement 1964
... [Regeling vervallen per 01-01-2003] 1 Bij een onderneming, waartoe een mijnwerk voor de ontginning van steenkolen behoort, moeten aanwezig zijn: a. kaarten van de oppervlakte, al dan niet op doorzichtig materiaal getekend, waarop de ligging van het mijnveld met de daarbinnen gelegen gebouwen en andere opstallen, spoor-, land- en waterwegen, hoofdtransportleidingen en andere belangrijke objecten ten genoegen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen zijn aangegeven, benevens alle binnen het mijnveld gelegen vaste meetpunten, alsmede de bovengrondse boringen en de mijnwerkgrenzen; b. een hoofdgrondplan, waarop van alle in ontginning zijnde of geweest zijnde lagen zijn aangegeven alle grondgalerijen en horizontaal steenwerk op de verschillende verdiepingen, de schachten, de tussenschachten en andere opbraken, veiligheidspijlers, grensmuren en muren met de coördinaten van de daarbij behorende grenspunten, en voorts alles wat verder met het oog op de veiligheid van belang kan worden geacht; c. een laagplan, waarop van elke in ontginning zijnde of geweest zijnde laag zijn aangegeven de daarop betrekking hebbende werken, de boringen naar het dekterrein, de grens van het mijnwerk en de veiligheidspijlers, en waarop mede zijn aangegeven de ontginningswerken in het aangrenzende mijnwerk, die op dezelfde laag betrekking hebben, voor zover zij zijn gelegen binnen een afstand van 100 meter van de gemeenschappelijke grens van de betrokken mijnwerken; d. een kaart van de oppervlakte van het carboon, waarop alle boringen naar het dekterrein op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven; e. een hoofddoorsnede van het geheel der ondergrondse werken, genomen loodrecht op de gemiddelde richting der lagen en zo mogelijk door de as der hoofdschacht, alsmede een voldoende aantal hulpdoorsneden; f. een verzameling van de profielen van alle ondergronds uitgevoerde geologische boringen. 2 Op een hoofdgrondplan moet de ligging van de in het eerste lid onder e bedoelde doorsneden op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven. 3 Op een hoofdgrondplan mag maximaal een door Onze Minister te bepalen aantal verdiepingen worden aangegeven. Hij kan voorschrijven, dat door hem aangewezen gegevens als in het eerste lid onder b bedoeld, niet op dit plan, maar op een of meer van de in dat lid onder c bedoelde plannen worden vermeld. 4 Indien twee mijnvelden aan elkander grenzen, zijn de bestuurders van de betrokken mijnondernemingen verplicht elkander halfjaarlijks voldoend duidelijke gegevens te verstrekken inzake hun ontginningswerken binnen een afstand van 100 meter van de gemeenschappelijke grens. 5 Indien Onze Minister zulks verlangt, moeten aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen doorsneden van opbraken en steengangen worden verstrekt.