1. Als legitimatiebewijzen in de zin van
artikel 12, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962worden aangewezen:
a. een bewijsstuk, waaruit kan blijken dat de houder over het lopende jaar of het daaraan voorafgegane jaar onderworpen is aan een heffing van het Landbouwschap of het Bosschap;
b. een bewijs van lidmaatschap over het lopende jaar van: 1e. het Koninklijk Nederlands Landbouwcomité;
2e. de Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
3e. de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, of van een bij een van deze organisaties aangesloten regionale of plaatselijke organisatie;
4e. de Nederlandse Vereniging van Boseigenaren;
5e. de Bond van agrarische loonbedrijven in Nederland;
6e. de Federatie van land- en tuinbouwwerktuigen exploiterende coöperaties;
1e. het Koninklijk Nederlands Landbouwcomité;
2e. de Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
3e. de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, of van een bij een van deze organisaties aangesloten regionale of plaatselijke organisatie;
4e. de Nederlandse Vereniging van Boseigenaren;
5e. de Bond van agrarische loonbedrijven in Nederland;
6e. de Federatie van land- en tuinbouwwerktuigen exploiterende coöperaties;
c. een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt, dat de betrokkene het beroep uitoefent van: 1e. bloemist of hovenier;
2e. zuiveraar;
3e. aannemer van bouwwerken;
1e. bloemist of hovenier;
2e. zuiveraar;
3e. aannemer van bouwwerken;
2. De in het eerste lid, onder
c, aanhefen 3e genoemde legitimatiebewijzen strekken slechts als bewijs, dat de houder een beroep uitoefent, dat het gebruik van houtconserveringsmiddelen medebrengt.
3. De in het eerste lid genoemde legitimatiebewijzen strekken niet als bewijs, dat de houder een beroep uitoefent, dat het gebruik meebrengt van cyaanwaterstof, giftige cyaanverbindingen of stoffen, die giftige cyaanverbindingen kunnen opleveren, ethyleenoxide en gasmengsels, waarin ethyleenoxide aanwezig is, methylbromide, methallylchloride en chloorpikrine, fosforwaterstof en stoffen, welke fosforwaterstof kunnen opleveren.
4. Als legitimatiebewijs, waaruit blijkt, dat de houder een beroep uitoefent, hetwelk het gebruik van een of meer in het derde lid genoemde bestrijdingsmiddelen meebrengt, gelden uitsluitend daartoe strekkende bewijzen, afgegeven door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.