1. Onverminderd hetgeen in
artikel 39, zevende lid, van de Visserijwet 1963is bepaald, worden de bestuursleden door Onze voornoemde Minister ontslagen:
a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of ten gevolge van zielsziekte;
b. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.
2. Onverminderd hetgeen in
artikel 39, zesde lid, van de Visserijwet 1963is bepaald, kunnen de bestuursleden door Onze voornoemde Minister worden ontslagen, wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, surcéance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld.
3. Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande leden bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene gehoord.
4. Wanneer zich een omstandigheid voordoet, als bedoeld in het tweede lid, is Onze voornoemde Minister bevoegd de betrokkene te schorsen; de schorsing mag een termijn van drie maanden niet overschrijden.
5. Wanneer tijdens de in het vierde lid bedoelde schorsing het besluit tot ontslag wordt genomen, blijft de schorsing van kracht tot het tijdstip, waarop het ontslag ingaat.