1. De ontvangende instelling behoeft, in rechte optredend ter uitvoering van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taak, niet de bijstand van een advocaat, tenzij het een vorderingsprocedure betreft.
2. De verzoeker wordt, onverminderd
artikel 79, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geacht woonplaats te hebben gekozen ten kantore van de ontvangende instelling. Alle stukken, voor hem bestemd en zijn onderhoudsaanspraak betreffend, kunnen aldaar worden betekend.