1. Alleen verenigingen, werkzaam in gemeenten, welke ten minste tweehonderdduizend inwoners hebben, kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
2. Aan de op 1 januari 1946 bestaande verenigingen in gemeenten met minder dan tweehonderdduizend inwoners kan op hun verzoek, telkens voor de duur van twee jaren, door de minister, met ontheffing van het bepaalde in het vorige lid, subsidie worden toegekend, mits de minister wordt aangetoond, dat:
a. het tuberculosehuisbezoek in voldoende mate wordt verricht;
b. in het werkgebied van de vereniging, welke de ontheffing verzoekt, de uitvoering van de overige takken van de preventieve gezondheidszorg en de wijkverpleging, voor zover die naar behoren zijn georganiseerd en een goede uitvoering is verzekerd, van de onderhavige subsidiëring geen nadeel zal ondervinden.