1. De registratie van een extern-verplaatste persoon wordt beëindigd wegens:
a. terugkeer in de gemeente, in welker bevolkingsregister hij is opgenomen;
b. opneming in het bevolkingsregister van de gemeente, waar hij is gehuisvest;
c. overlijden.
2. Bij beëindiging van de registratie in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder aen b, vult de burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister de persoon is opgenomen, een verplaatsingsformulier in. In het voorlaatste vak van het verplaatsingsformulier wordt melding gemaakt van de datum en de reden van beëindiging van de registratie.
3. Bij beëindiging van de registratie in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, geeft de in het tweede lid bedoelde burgemeester hiervan terstond kennis:
a. aan de burgemeester van de gemeente van laatste registratie door toezending van deel A van het verplaatsingsformulier;
b. aan de in artikel 5 bedoelde centrale instantie door toezending van deel C van het verplaatsingsformulier.
De delen A en C van het verplaatsingsformulier worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, en 8, tweede lid, onderscheidenlijk geplaatst in het verplaatsingsregister A en in het centrale verplaatsingsregister.
Ten aanzien van deel B van het verplaatsingsformulier is het bepaalde in artikel 7, vijfde lid, van toepassing.
4. Het bepaalde in het voorgaande lid is van toepassing ten aanzien van de beëindiging van de registratie in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, met dien verstande, dat deel B wordt gezonden aan de burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister de verplaatste persoon laatstelijk was opgenomen, en dat verzending van deel A achterwege blijft.
5. Bij beëindiging van de registratie in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder c, legt de burgemeester van de gemeente, waar de extern-verplaatste persoon laatstelijk is geregistreerd, een verplaatsingsformulier aan.
In het voorlaatste vak van het formulier wordt melding gemaakt van de datum en de plaats van overlijden.
Het bepaalde in artikel 10is ten aanzien van de delen A, B en C van het verplaatsingsformulier van overeenkomstige toepassing.
6. In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, wordt in het geval, dat het overlijden plaatsvindt in een andere gemeente dan die, waar de extern-verplaatste persoon laatstelijk is geregistreerd, het verplaatsingsformulier aangelegd door de burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister de overledene laatstelijk is opgenomen.
Deel B van het verplaatsingsformulier wordt, nadat het reeds aanwezige exemplaar daarachter geplaatst en daaraan gehecht is, in het verplaatsingsregister B geplaatst.
De delen A en C van het verplaatsingsformulier worden onderscheidenlijk gezonden aan de burgemeester van de gemeente, waar de verplaatste persoon laatstelijk is geregistreerd, en aan de in artikel 5bedoelde centrale instantie en worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, respectievelijk 8, tweede lid, onderscheidenlijk in het verplaatsingsregister A en het centrale verplaatsingsregister geplaatst.
7. Na beëindiging van de registratie wordt de aanduiding VP in vak 24 van de persoonskaart uitgewist.