1. Tot het doen van een aanvraag als bedoeld in
artikel 6 van de wetzijn bevoegd:
a. de Commandant Landstrijdkrachten;
b. de Commandant Zeestrijdkrachten;
c. de regionale militaire commandanten;
d. de commandanten van de Lokaal Facilitaire Dienst, ieder voor wat betreft zijn verzorgingsgebied;
e. de commandanten van onderdelen, van detachementen of van transporten en alleenreizende militairen, doch slechts indien de aanvraag op generlei wijze tijdig door de bevoegde commandant van de Lokaal Facilitaire Dienst kan plaatshebben.
2. De aanvraag van een van de onder 1–5 van lid 1 genoemde autoriteiten geschiedt door middel van een door hem aan de burgemeester gericht schriftelijk verzoek.
3. De aanvraag van een onder 6 van lid 1 genoemde militair geschiedt, met uitzondering van alleenreizende officieren, onder overlegging van een marsorder, reisopdracht of andere opdracht, welke moet bevatten:
a. naam, rang en functie van de officier, die het stuk afgeeft;
b. naam, rang en legernummer van de commandant van het onderdeel of van de alleenreizende militair;
c. plaats van vertrek en plaats van bestemming;
d. de te volgen route;
e. tijdsaanduiding van de te maken reis.