BWBR0002007
Artikel 7
Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven
1 De bezoldiging der leden van en rechterlijke ambtenaren bij de Bijzondere Gerechtshoven
is gelijk aan die van leden van en rechterlijke ambtenaren bij het Gerechtshof te
Arnhem in overeenkomstige functie, met dien verstande, dat op deze bezoldiging in
mindering wordt gebracht twee derde gedeelte van hetgeen, waarop zij uit enigen anderen
hoofde als bezoldiging, wachtgeld of pensioen ten laste van het Rijk, een provincie
of ander openbaar lichaam of wel ten laste van een der overzeese gebiedsdelen aanspraak
mochten hebben.
2 Betreft de aanspraak evenwel een bezoldiging, genoten ter zake van een ambt, hetwelk
het lid van of de rechterlijke ambtenaar bij een Bijzonder Gerechtshof, tijdens zijn
werkzaamheid bij zodanig Hof in het geheel niet heeft uitgeoefend, dan wordt die bezoldiging
voor het geheel in mindering gebracht.
3 In geen geval wordt een hoger bedrag in mindering gebracht dan twee derde gedeelte
of, wanneer het bepaalde in het tweede lid van toepassing is, het volle bedrag van
de in de aanhef van het eerste lid bedoelde bezoldiging.
4 De raadsheren-plaatsvervangers genieten als zodanig geen bezoldiging.
is gelijk aan die van leden van en rechterlijke ambtenaren bij het Gerechtshof te
Arnhem in overeenkomstige functie, met dien verstande, dat op deze bezoldiging in
mindering wordt gebracht twee derde gedeelte van hetgeen, waarop zij uit enigen anderen
hoofde als bezoldiging, wachtgeld of pensioen ten laste van het Rijk, een provincie
of ander openbaar lichaam of wel ten laste van een der overzeese gebiedsdelen aanspraak
mochten hebben.
2 Betreft de aanspraak evenwel een bezoldiging, genoten ter zake van een ambt, hetwelk
het lid van of de rechterlijke ambtenaar bij een Bijzonder Gerechtshof, tijdens zijn
werkzaamheid bij zodanig Hof in het geheel niet heeft uitgeoefend, dan wordt die bezoldiging
voor het geheel in mindering gebracht.
3 In geen geval wordt een hoger bedrag in mindering gebracht dan twee derde gedeelte
of, wanneer het bepaalde in het tweede lid van toepassing is, het volle bedrag van
de in de aanhef van het eerste lid bedoelde bezoldiging.
4 De raadsheren-plaatsvervangers genieten als zodanig geen bezoldiging.