BWBR0002007
Artikel 5
Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven
1 In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis worden vervangen:
1°. de president van een Bijzonder Gerechtshof door een vice-president of, bij gebreke
van dezen, door den oudst benoemden rechtsgeleerden raadsheer;
2°. een rechtsgeleerde raadsheer, bij gebreke van een anderen rechtsgeleerden raadsheer,
door een rechtsgeleerden raadsheer-plaatsvervanger;
3°. een militaire raadsheer door een anderen militairen raadsheer of een militairen raadsheer-plaatsvervanger,
met dien verstande, dat zooveel mogelijk een raadsheer, behoorende tot de zeemacht,
wordt vervangen door een tot de zeemacht behoorenden raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger
en een raadsheer, behoorende tot de landmacht, door een tot de landmacht behoorenden
raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger;
4°. de procureur-fiscaal, bij gebreke van een waarnemend procureur-fiscaal, door een der
advocaten-fiscaal - voor zoover van Onzentwege niet anders is bepaald, volgens den
rang hunner benoeming - en, bij gebreke ook van een advocaat-fiscaal, door een waarnemend
advocaat-fiscaal of door een door den president aan te wijzen rechtsgeleerden raadsheer;
5°. de griffier door een substituut-griffier en, bij gebreke van een substituut-griffier,
door een waarnemend griffier of door een beëedigden klerk ter griffie.
2 Als waarnemend procureur-fiscaal kan door Ons worden aangewezen een procureur- of
advocaat-fiscaal bij een ander Bijzonder Gerechtshof, als waarnemend advocaat-fiscaal
een substituut-officier van justitie of een officier-fiscaal, mits deze den graad
of hoedanigheid heeft verkregen als bedoeld in artikel 4, tweede lid.
3 Als waarnemend griffier kan door Ons een buitengriffier bij een rechtbank worden
aangewezen. De beëedigde klerken ter griffie worden op aanbeveling van den griffier
door den president tot wederopzeggens benoemd. Zij moeten zijn Nederlandsche onderdanen,
die den vollen ouderdom van vijf en twintig jaren hebben bereikt. Beeedigde klerken
ter griffie, die niet een graad of hoedanigheid bezitten, als in het tweede lid van
het voorgaande artikel bedoeld, zijn niet bevoegd den griffier ter terechtzitting
te vervangen.
1°. de president van een Bijzonder Gerechtshof door een vice-president of, bij gebreke
van dezen, door den oudst benoemden rechtsgeleerden raadsheer;
2°. een rechtsgeleerde raadsheer, bij gebreke van een anderen rechtsgeleerden raadsheer,
door een rechtsgeleerden raadsheer-plaatsvervanger;
3°. een militaire raadsheer door een anderen militairen raadsheer of een militairen raadsheer-plaatsvervanger,
met dien verstande, dat zooveel mogelijk een raadsheer, behoorende tot de zeemacht,
wordt vervangen door een tot de zeemacht behoorenden raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger
en een raadsheer, behoorende tot de landmacht, door een tot de landmacht behoorenden
raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger;
4°. de procureur-fiscaal, bij gebreke van een waarnemend procureur-fiscaal, door een der
advocaten-fiscaal - voor zoover van Onzentwege niet anders is bepaald, volgens den
rang hunner benoeming - en, bij gebreke ook van een advocaat-fiscaal, door een waarnemend
advocaat-fiscaal of door een door den president aan te wijzen rechtsgeleerden raadsheer;
5°. de griffier door een substituut-griffier en, bij gebreke van een substituut-griffier,
door een waarnemend griffier of door een beëedigden klerk ter griffie.
2 Als waarnemend procureur-fiscaal kan door Ons worden aangewezen een procureur- of
advocaat-fiscaal bij een ander Bijzonder Gerechtshof, als waarnemend advocaat-fiscaal
een substituut-officier van justitie of een officier-fiscaal, mits deze den graad
of hoedanigheid heeft verkregen als bedoeld in artikel 4, tweede lid.
3 Als waarnemend griffier kan door Ons een buitengriffier bij een rechtbank worden
aangewezen. De beëedigde klerken ter griffie worden op aanbeveling van den griffier
door den president tot wederopzeggens benoemd. Zij moeten zijn Nederlandsche onderdanen,
die den vollen ouderdom van vijf en twintig jaren hebben bereikt. Beeedigde klerken
ter griffie, die niet een graad of hoedanigheid bezitten, als in het tweede lid van
het voorgaande artikel bedoeld, zijn niet bevoegd den griffier ter terechtzitting
te vervangen.