BWBR0002007
Artikel 14
Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven
Ten aanzien van de Bijzondere Raad van Cassatie zijn de artikelen 2 tot en met 8 en 11 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
1°. de leden van en rechterlijke ambtenaren bij dien Raad niet tevens een ambt kunnen
bekleeden bij een Bijzonder Gerechtshof;
2°. de militaire raadsheeren en raadsheeren-plaatsvervangers in dien Raad moeten zijn
hetzij vlag- of opperofficieren, hetzij hoofdofficieren, die een graad of hoedanigheid
hebben als in artikel 4, tweede lid, bedoeld;
3°. bij de toepassing ten deze van artikel 7 als maatstaf van bezolding geldt de bezoldiging van leden van en rechterlijke ambtenaren
bij den Hoogen Raad in overeenkomstige functie;
4°. de leden van en rechterlijke ambtenaren bij den Bijzonderen Raad van Cassatie hun
vast en voortdurend verblijf hebben binnen de provincie, waarin de plaats van vestiging
van dien Raad is gelegen, voor zoover hun niet van Onzentwege een andere verblijfplaats
wordt aangewezen.
1°. de leden van en rechterlijke ambtenaren bij dien Raad niet tevens een ambt kunnen
bekleeden bij een Bijzonder Gerechtshof;
2°. de militaire raadsheeren en raadsheeren-plaatsvervangers in dien Raad moeten zijn
hetzij vlag- of opperofficieren, hetzij hoofdofficieren, die een graad of hoedanigheid
hebben als in artikel 4, tweede lid, bedoeld;
3°. bij de toepassing ten deze van artikel 7 als maatstaf van bezolding geldt de bezoldiging van leden van en rechterlijke ambtenaren
bij den Hoogen Raad in overeenkomstige functie;
4°. de leden van en rechterlijke ambtenaren bij den Bijzonderen Raad van Cassatie hun
vast en voortdurend verblijf hebben binnen de provincie, waarin de plaats van vestiging
van dien Raad is gelegen, voor zoover hun niet van Onzentwege een andere verblijfplaats
wordt aangewezen.