BWBR0001975
Artikel 4a
Octrooigemachtigden-reglement
1 Op tijdstippen, door de Minister van Economische Zaken te bepalen, wordt door de in
artikel 4, eerste lid, bedoelde commissie een proeve van bekwaamheid afgenomen.
2 Om aan deze proeve van bekwaamheid te kunnen deelnemen moet de kandidaat aan de commissie
overleggen:
a. een diploma als bedoeld in artikel 1, onder a, van de richtlijn, die door een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan
Nederland dan wel een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte is voorgeschreven om op het grondgebied van die Staat
als gemachtigde in octrooizaken op te treden en dat in een Lid-Staat of een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
is behaald, dan wel
b. een bewijs dat hij het optreden als gemachtigde in octrooizaken gedurende twee jaar
tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen dan Nederland dan wel een andere Staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en in het bezit is
van een of meer opleidingstitels als bedoeld in artikel 3, onder b, van de richtlijn.
3 Als bewijs dat door de betrokken kandidaat aan het bepaalde in het tweede lid wordt
voldaan, aanvaardt de commissie de attesten en documenten die met het oog daarop door
de bevoegde autoriteit van de in dat lid bedoelde andere Staat worden verstrekt.
4 Om de proeve van bekwaamheid met goed gevolg af te leggen, moet hij, die zich daaraan
onderwerpt, daarbij doen blijken, dat hij de nodige kennis bezit van de Nederlandse
wetgeving en de voornaamste internationale regelingen betreffende de industriële eigendom,
de voorschriften van die wetgeving en die regelingen praktisch weet toe te passen
en bekend is met de beginselen van het Nederlands burgerlijk en handelsrecht, voor
zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van de Nederlandse wetgeving betreffende
de industriële eigendom, met dien verstande dat geen kennis wordt getoetst waarover
de betrokkene blijkens de door hem overgelegde diploma's, bewijsstukken of opleidingstitels
als bedoeld in het tweede lid reeds beschikt.
5
Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
artikel 4, eerste lid, bedoelde commissie een proeve van bekwaamheid afgenomen.
2 Om aan deze proeve van bekwaamheid te kunnen deelnemen moet de kandidaat aan de commissie
overleggen:
a. een diploma als bedoeld in artikel 1, onder a, van de richtlijn, die door een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan
Nederland dan wel een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte is voorgeschreven om op het grondgebied van die Staat
als gemachtigde in octrooizaken op te treden en dat in een Lid-Staat of een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
is behaald, dan wel
b. een bewijs dat hij het optreden als gemachtigde in octrooizaken gedurende twee jaar
tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen dan Nederland dan wel een andere Staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en in het bezit is
van een of meer opleidingstitels als bedoeld in artikel 3, onder b, van de richtlijn.
3 Als bewijs dat door de betrokken kandidaat aan het bepaalde in het tweede lid wordt
voldaan, aanvaardt de commissie de attesten en documenten die met het oog daarop door
de bevoegde autoriteit van de in dat lid bedoelde andere Staat worden verstrekt.
4 Om de proeve van bekwaamheid met goed gevolg af te leggen, moet hij, die zich daaraan
onderwerpt, daarbij doen blijken, dat hij de nodige kennis bezit van de Nederlandse
wetgeving en de voornaamste internationale regelingen betreffende de industriële eigendom,
de voorschriften van die wetgeving en die regelingen praktisch weet toe te passen
en bekend is met de beginselen van het Nederlands burgerlijk en handelsrecht, voor
zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van de Nederlandse wetgeving betreffende
de industriële eigendom, met dien verstande dat geen kennis wordt getoetst waarover
de betrokkene blijkens de door hem overgelegde diploma's, bewijsstukken of opleidingstitels
als bedoeld in het tweede lid reeds beschikt.
5
Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.