BWBR0001975
Artikel 4
Octrooigemachtigden-reglement
1 Op tijdstippen, door de Minister van Economische Zaken te bepalen, wordt door een
door die Minister te benoemen commissie, bestaande uit leden van de Octrooiraad, een
of meer octrooigemachtigden en zo nodig een of meer andere technische en rechtsgeleerde
deskundigen, een examen afgenomen.
2 Om dit examen met goed gevolg af te leggen, moet hij, die zich daaraan onderwerpt,
daarbij doen blijken, dat hij de nodige kennis bezit van de Nederlandse en de voornaamste
vreemde wetgevingen en van de voornaamste internationale regelingen betreffende de
industriële eigendom, de voorschriften dier wetgevingen en regelingen praktisch weet
toe te passen en bekend is met de beginselen van het Nederlands burgerlijk en handelsrecht,
voor zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van de Nederlandse wetgeving
betreffende de industriële eigendom.
3 Om aan dit examen te kunnen deelnemen moet de kandidaat een der volgende bescheiden
aan de commissie doen toekomen:
a. het getuigschrift van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de faculteit der
wis- en natuurkunde aan een Rijksuniversiteit of daarmede wettelijk gelijkgestelde
inrichting;
b. het diploma van ingenieur, verworven aan een Nederlandse technische hogeschool of
landbouwhogeschool;
c. het brevet hogere technische bekwaamheid (H.T.B.) voor officieren van de Koninklijke
Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht, bedoeld in de beschikking van de Minister
van Oorlog van 23 juni 1952 (L.O. 1952, no. 189.L-LM), dat is toegekend na het volgen van een cursus hogere militair-technische
vorming als bedoeld in de beschikkingen van genoemde Minister van 14 maart 1955 (L.O. 1955, no. 55085 L-code no. 78/35) en van 30 juli 1955 ( Lu.O. 55512 - code no. 78/50);
d. het bewijs, dat hij, na met goed gevolg hetzij de volledige opleiding tot beroepsofficier
bij een technisch wapen of dienstvak aan de Koninklijke Militaire Academie hetzij
de volledige opleiding tot beroeps-zeeofficier of tot beroepsofficier van een der
technische diensten bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te hebben doorlopen,
ten minste gedurende vijf jaren als beroepsofficier belast is geweest met werkzaamheden
van technische aard;
e. een getuigschrift of diploma van een buitenlandse universitaire instelling of hogeschool,
indien dit door de commissie met een der onder a of b bedoelde bescheiden is gelijkgesteld;
f. het bewijs dat hij technisch plaatsvervangend lid van de Octrooiraad is of geweest
is.
4 De commissie kan in afwijking van het derde lid personen tot het examen toelaten,
die naar het oordeel zowel van de commissie als van de Raad van Toezicht voor de Octrooigemachtigden
bijzondere bekwaamheden bezitten, verkregen door langjarige werkzaamheden ten kantore
van een octrooigemachtigde, welke hen geschikt maken voor het optreden als octrooigemachtigde.
5 De werkzaamheden der commissie, het tijdstip, waarop belanghebbenden zich tot het
afleggen van het examen bij de voorzitter der commissie moeten hebben aangemeld, de
plaats, waar het examen zal worden afgenomen, en het voor de deelneming aan het examen
te storten bedrag worden geregeld door de in het eerste lid genoemde Minister; deze
doet van een en ander openbare mededeling.
door die Minister te benoemen commissie, bestaande uit leden van de Octrooiraad, een
of meer octrooigemachtigden en zo nodig een of meer andere technische en rechtsgeleerde
deskundigen, een examen afgenomen.
2 Om dit examen met goed gevolg af te leggen, moet hij, die zich daaraan onderwerpt,
daarbij doen blijken, dat hij de nodige kennis bezit van de Nederlandse en de voornaamste
vreemde wetgevingen en van de voornaamste internationale regelingen betreffende de
industriële eigendom, de voorschriften dier wetgevingen en regelingen praktisch weet
toe te passen en bekend is met de beginselen van het Nederlands burgerlijk en handelsrecht,
voor zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van de Nederlandse wetgeving
betreffende de industriële eigendom.
3 Om aan dit examen te kunnen deelnemen moet de kandidaat een der volgende bescheiden
aan de commissie doen toekomen:
a. het getuigschrift van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de faculteit der
wis- en natuurkunde aan een Rijksuniversiteit of daarmede wettelijk gelijkgestelde
inrichting;
b. het diploma van ingenieur, verworven aan een Nederlandse technische hogeschool of
landbouwhogeschool;
c. het brevet hogere technische bekwaamheid (H.T.B.) voor officieren van de Koninklijke
Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht, bedoeld in de beschikking van de Minister
van Oorlog van 23 juni 1952 (L.O. 1952, no. 189.L-LM), dat is toegekend na het volgen van een cursus hogere militair-technische
vorming als bedoeld in de beschikkingen van genoemde Minister van 14 maart 1955 (L.O. 1955, no. 55085 L-code no. 78/35) en van 30 juli 1955 ( Lu.O. 55512 - code no. 78/50);
d. het bewijs, dat hij, na met goed gevolg hetzij de volledige opleiding tot beroepsofficier
bij een technisch wapen of dienstvak aan de Koninklijke Militaire Academie hetzij
de volledige opleiding tot beroeps-zeeofficier of tot beroepsofficier van een der
technische diensten bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te hebben doorlopen,
ten minste gedurende vijf jaren als beroepsofficier belast is geweest met werkzaamheden
van technische aard;
e. een getuigschrift of diploma van een buitenlandse universitaire instelling of hogeschool,
indien dit door de commissie met een der onder a of b bedoelde bescheiden is gelijkgesteld;
f. het bewijs dat hij technisch plaatsvervangend lid van de Octrooiraad is of geweest
is.
4 De commissie kan in afwijking van het derde lid personen tot het examen toelaten,
die naar het oordeel zowel van de commissie als van de Raad van Toezicht voor de Octrooigemachtigden
bijzondere bekwaamheden bezitten, verkregen door langjarige werkzaamheden ten kantore
van een octrooigemachtigde, welke hen geschikt maken voor het optreden als octrooigemachtigde.
5 De werkzaamheden der commissie, het tijdstip, waarop belanghebbenden zich tot het
afleggen van het examen bij de voorzitter der commissie moeten hebben aangemeld, de
plaats, waar het examen zal worden afgenomen, en het voor de deelneming aan het examen
te storten bedrag worden geregeld door de in het eerste lid genoemde Minister; deze
doet van een en ander openbare mededeling.