BWBR0001949
Artikel 6
West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930
1 Zoolang een eervol ontslagen ambtenaar, als in het vorige artikel bedoeld, niet kan
worden geplaatst, heeft hij aanspraak op een wachtgeld als omschreven in artikel 4
van het Uitzendingsbesluit 1925 (Staatsblad n°. 15, Gouvernementsblad n°. 14, Publicatieblad n°. 19), welk wachtgeld echter niet minder zal bedragen dan de wedde, welke hij zou
hebben genoten, indien hij onafgebroken in ’s Rijks dienst ware gebleven.
2 Is de plaatsing in ’s Rijks dienst nog niet geschied op het tijdstip, waarop dit wachtgeld,
na zes maanden genoten te zijn, ophoudt, dan wordt aan den belanghebbende door den
Minister, onder wiens Departement de belanghebbende vóór zijn ontslag laatstelijk
ressorteerde, met ingang van den dag, waarop het wachtgeld ten laste van Suriname
of van Curaçao heeft opgehouden, een tweede wachtgeld toegekend ten bedrage van de
wedde, welke hij zou hebben genoten, indien hij onafgebroken in ’s Rijks dienst ware
gebleven.
3 Het door Onzen vorenbedoelden Minister toegekende wachtgeld wordt gekweten ten laste
van het Hoofdstuk der Rijksbegrooting, hetwelk die Minister beheert. Indien de betrokkene
inkomsten gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, wordt het bedrag
dier inkomsten op het wachtgeld in mindering gebracht. Ten aanzien van dit wachtgeld
zijn voorts van overeenkomstige toepassing de artikelen 5, 6, derde, vijfde en zesde
lid, 7, eerste lid, 7a, 8, 8 a, 9, 10, 11 en 12 van het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1922 (Staatsblad n°. 479), zooals dit sedert zal zijn gewijzigd of aangevuld.
4 Indien de belanghebbende in ’s Rijks dienst herplaatst is, komt de tijd, gedurende
welken hij op grond van dit artikel wachtgeld genoten heeft, voor de helft in aanmerking
als geldig voor Surinaamsch of Curaçaosch pensioen.
worden geplaatst, heeft hij aanspraak op een wachtgeld als omschreven in artikel 4
van het Uitzendingsbesluit 1925 (Staatsblad n°. 15, Gouvernementsblad n°. 14, Publicatieblad n°. 19), welk wachtgeld echter niet minder zal bedragen dan de wedde, welke hij zou
hebben genoten, indien hij onafgebroken in ’s Rijks dienst ware gebleven.
2 Is de plaatsing in ’s Rijks dienst nog niet geschied op het tijdstip, waarop dit wachtgeld,
na zes maanden genoten te zijn, ophoudt, dan wordt aan den belanghebbende door den
Minister, onder wiens Departement de belanghebbende vóór zijn ontslag laatstelijk
ressorteerde, met ingang van den dag, waarop het wachtgeld ten laste van Suriname
of van Curaçao heeft opgehouden, een tweede wachtgeld toegekend ten bedrage van de
wedde, welke hij zou hebben genoten, indien hij onafgebroken in ’s Rijks dienst ware
gebleven.
3 Het door Onzen vorenbedoelden Minister toegekende wachtgeld wordt gekweten ten laste
van het Hoofdstuk der Rijksbegrooting, hetwelk die Minister beheert. Indien de betrokkene
inkomsten gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, wordt het bedrag
dier inkomsten op het wachtgeld in mindering gebracht. Ten aanzien van dit wachtgeld
zijn voorts van overeenkomstige toepassing de artikelen 5, 6, derde, vijfde en zesde
lid, 7, eerste lid, 7a, 8, 8 a, 9, 10, 11 en 12 van het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1922 (Staatsblad n°. 479), zooals dit sedert zal zijn gewijzigd of aangevuld.
4 Indien de belanghebbende in ’s Rijks dienst herplaatst is, komt de tijd, gedurende
welken hij op grond van dit artikel wachtgeld genoten heeft, voor de helft in aanmerking
als geldig voor Surinaamsch of Curaçaosch pensioen.