BWBR0001898
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 55
Tramwegreglement
Remmen ... [Regeling vervallen per 01-12-2015] 1 Voor treinen, waarmede uitsluitend reizigers en de bij hen behoorende bagage worden vervoerd, is het gebruik van zelfwerkend doorgaand remwerk, werkende op ten minste de helft van het aantal voertuigassen, verplicht: a. bij een grootste snelheid van 20 K.M. per uur, zoodra de trein bestaat uit meer dan 18 voertuigassen; b. bij een grootste snelheid van 35 K.M. per uur, zoodra de trein bestaat uit meer dan 10 voertuigassen. Bij grootere snelheid dan 35 K.M. per uur moet de doorgaande rem op alle voertuigassen werken. 2 Voor treinen, waarmede zoowel reizigers en bagage als goederen worden vervoerd, moet de beremming ten minste zijn als volgt: grootste snelheid in K.M. per uur: aantal beremde voertuigassen: tot en met 20 km de helft van het aantal voertuigassen boven de 18 assen; van 21 tot en met 35 km de helft van het aantal voertuigassen boven de 10 assen; meer dan 35 km alle voertuigassen. 3 Voor treinen, waarmede geene reizigers worden vervoerd, moeten zooveel voertuigassen beremd worden als in den volgenden staat is aangegeven: grootste snelheid in K.M. per uur: van het totaal aantal voertuigassen moet beremd zijn: tot en met 20 km 1/10 met een minimum van 2 voertuigassen; van 21 tot en met 45 km 1/2 met een minimum van 2 voertuigassen; meer dan 45 km alle voertuigassen. 4 Bij toepassing van het remvoorschrift, gegeven in het tweede en derde lid, wordt van ledige wagens elke as slechts voor een halve as in rekening gebracht. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op treinen, waarvan de snelheid die van 10 K.M. per uur niet overschrijdt. 5 Bij toepassing van een stelsel van zelfwerkend doorgaand remwerk behoeft dit de instemming van de Minister; het remwerk moet zoodanig zijn ingericht, dat de rem zoowel op het trekvoertuig als op elk rijtuig, waarvan de assen moeten worden beremd, in werking kan worden gebracht. 6 De rem van alle in voor reizigers bestemde treinen aanwezige voertuigen, die van zelfwerkend doorgaand remwerk zijn voorzien, moet zich in dienstvaardigen staat bevinden; kan hieraan in bijzondere gevallen voor een rijtuig niet worden voldaan, dan moet dit rijtuig buiten dienst worden medegenomen. 7 Bij treinen, welke over hellingen sterker dan 1 op 50 met een hoogteverschil van drie meter of meer worden vervoerd, moet het achterste voertuig van een bediend remtoestel zijn voorzien. 8 De Minister kan van de bepalingen in dit artikel ontheffing verleenen en is bevoegd de doorgaande rem voor alle treinen voor reizigersvervoer op een tramweg verplicht te stellen, zelfs al bedraagt de grootste toegelaten snelheid niet meer dan 20 K.M. per uur, alsmede om voor gemengde en goederentreinen eene krachtiger beremming, dan volgens het tweede en derde lid geëischt wordt, voor te schrijven, indien zulks met het oog op het lengteprofiel van den tramweg, de ligging van dezen ten opzichte van bestaande wegen voor openbaar verkeer, de opeenvolging van de treinen of andere omstandigheden wenschelijk mocht blijken. 9 Bij toepassing van de hierboven gegeven voorschriften worden ter berekening van het aantal voertuigassen, dat in den trein aanwezig is, de assen van het trekvoertuig medegeteld, met dien verstande, dat voor meerassige door stoomkracht bewogen trekvoertuigen niet meer dan twee assen berekend mogen worden.