BWBR0001898
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 30a
Tramwegreglement
a ... [Regeling vervallen per 01-12-2015] Bij trekvoertuigen, gedreven door een of meer verbrandingsmotoren, moeten: a. de vaten waarin de vloeibare brandstof wordt medegevoerd en de leidingen voor deze vloeistof zodanig ingericht zijn, dat daarin geen ongewilde overdruk kan ontstaan en dat zij zoveel mogelijk gewaarborgd zijn tegen het ontstaan van lekken; b. de vulopeningen dezer vaten zich buiten het voertuig bevinden, voorzover hiermede reizgers of post vervoerd worden; c. de ruimten, waarin deze vaten zijn aangebracht, van het inwendige van het voertuig door dichte onbrandbare wanden gescheiden zijn en met de buitenlucht op zodanige wijze in gemeenschap staan, dat buiten de vaten geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen aanstonds naar buiten worden afgevoerd; d. de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voorzover zij zich in de inwendige ruimte van het trekvoertuig bevinden, ononderbroken en, waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd zijn en aan het einde buiten het voertuig uitgerust met een inrichting waarin de afgewerkte gassen in die mate worden afgekoeld, dat zij bij het verlaten van die inrichting geen brand kunnen veroorzaken; e. indien de voertuigen ingericht zijn voor het vervoer van reizigers, de motoren geplaatst zijn in door onbrandbare, of met een onbrandbare stof beklede, wanden omgeven ruimten, die niet toegankelijk zijn voor de reizigers.