BWBR0001898
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 20
Tramwegreglement
Voorschriften betreffende de inrichting van de ketels der trekvoertuigen, welke door stoomkracht worden bewogen ... [Regeling vervallen per 01-12-2015] 1 De ketel van elk door stoomkracht bewogen trekvoertuig moet voorzien zijn: a. van een met goed leesbaar volgnummer gemerkten manometer, welke, rechtstreeks met de stoomruimte van den ketel door eene waterhoudende pijp met afsluitkraan verbonden, de drukking van den stoom duidelijk aangeeft en welke ten minste twee kilogram per vierkanten centimeter meer drukking kan aanwijzen dan de grootste toegelaten werkelijke drukking, welke laatste op de wijzerplaat door een duidelijk merk moet zijn aangewezen; b. van eene gebogen afsluitbare pijp met flens van veertig millimeter middellijn en vijf millimeter dikte, om daaraan een contrôle-manometer te kunnen verbinden: c. van een waterpeilglas met afsluit- en doorblaaskranen, en van ten minste twee proefkranen of een tweede peilglas; de waterpeilglazen en de proefkranen moeten van elkander onafhankelijk, dus niet aan dezelfde pijp aangebracht zijn; de waterpeilglazen moeten bovendien, tenzij de Minister hiervan ontheffing verleent, voorzien zijn van een schermkoker, zoodanig ingericht, dat het waterpeil goed waarneembaar blijft; d. van een zelfwerkend middel, waardoor watergebrek in den ketel onafhankelijk van de bediening wordt kenbaar gemaakt; als zoodanig kunnen dienen een of meer in de hemelplaat van de vuurkist geschroefde doorboorde pluggen, gevuld met een metaal, dat smelt, alvorens de plaat gevaarlijk oververhit wordt; de kleinste doorsnede dezer vulling, die ten minste eens per jaar vernieuwd moet worden, mag niet kleiner zijn dan een halve vierkante centimeter; e. van een spuikraan en van de noodige waschgaten; f. van ten minste twee veiligheidskleppen, voldoende aan de bepalingen van artikel 21 . 2 Zoowel de waterstand als de stoomdrukking in den ketel moeten van de plaats van den machinist op het trekvoertuig gemakkelijk kunnen worden waargenomen. 3 De toegelaten laagste waterstand alsmede de toegelaten grootste stoomdrukking moeten zoodanig op den ketel zijn aangegeven, dat zij van de plaats van den machinist op het trekvoertuig zijn waar te nemen. 4 De toegelaten laagste waterstand is ten minste honderd millimeter boven het hoogste punt van de vuurkist. 5 De stand van het peilglas moet zoodanig zijn, dat het water daarin niet lager dan vijftig milimeter beneden den toegelaten laagsten waterstand zichtbaar blijft. 6 Alle kranen aan den ketel, waarvan de aanvoeropening grooter is dan dertig milimeter, moeten zoodanig zijn ingericht, dat bij het breken van de pakking- of opsluitbouten de pluggen niet weggeslingerd kunnen worden. 7 De steunschroefbouten, waarmede de wanden van de vuurkist en van den ketel onderling verbonden zijn, moeten over de lengte geheel of ten deele doorboord zijn. 8 Het gebruik van gegoten ijzer is voor die deelen van den ketel, welke aan de stoomdrukking bloot staan, verboden. 9 De Minister kan van het bepaalde in het tweede en derde lid ontheffing verleenen.