Artikel 1
1.Wanneer toepassing van het bepaalde in de 2de alinea van art. 50 der wet van den 9den April 1875 (Staatsblad n°. 67), laatstelijk gewijzigd bij de wet van den 8sten April 1893 (Staatsblad n°. 62), wordt noodig geacht, wordt krachtens Onze machtiging door den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht of - zoolang deze niet in functie is getreden - door Onzen Minister van Oorlog bepaald, van welke spoorwegen en van welk aan de spoorwegondernemingen toebehoorend materieel het geheel of gedeeltelijk gebruik wordt gevorderd.
2.Van dit besluit wordt mededeeling gedaan aan Onzen Minister van Waterstaat.
2.Van dit besluit wordt mededeeling gedaan aan Onzen Minister van Waterstaat.