Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:922
202500872/1/A2. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 januari 2025 in zaak nr. 24/177 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluiten van 24 januari 2023 en 17 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn schulden afgewezen. Bij besluit van 30 november 2023 heeft de minister de door [appellant] tegen de besluiten van 24 januari 2023 en 17 maart 2023 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door V.N. Giang en mr. E.C.I. Ramlal, zijn verschenen. Overwegingen 1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage. Inleiding 2. [appellant] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om overname van vijf schulden bij verschillende schuldeisers van in totaal € 33.705,00. Besluitvorming 3. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schulden, waarvan [appellant] om overname verzoekt, niet voldoen aan de eisen voor overname, gesteld in artikel 4.1 van de Wht. Van een deel van de schulden is niet gebleken dat er opeisbare betalingsachterstanden waren in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juni 2021. Die schulden voldoen daarmee niet aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. De andere schulden zijn informele leningen die niet zijn vastgelegd in een notariële akte of waaraan een gerechtelijk vonnis ten grondslag ligt. Die schulden voldoen niet aan artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Daarnaast waren die schulden niet opeisbaar vóór 1 juni 2021. 4. De minister heeft geen aanleiding gezien de hardheidsclausule toe te passen. Uit de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden - onder meer de oplopende schulden door de kinderopvangtoeslagaffaire, de echtscheiding en het verlies van zijn woning en inboedel - volgt niet dat het niet overnemen van de private schulden leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard of schrijnende omstandigheden. Uitspraak van de rechtbank 5. De rechtbank is, voor zover relevant, tot het oordeel gekomen dat de minister geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden hangen niet samen met het besluit op bezwaar van 30 november 2023. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat zijn situatie ten tijde van dat besluit dermate schrijnend was, dat artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet blijven. Beoordeling van het hoger beroep 6. In geschil is of de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. [appellant] betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte is uitgegaan van de actuele omstandigheden, en niet van de omstandigheden ten tijde van het aangaan van de schulden. In dit verband betoogt [appellant] dat de hardheidsclausule in het licht van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het EVRM moet worden toegepast. Hij wordt Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier. w.g. De Groot lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Voort griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026 1062 BIJLAGE WETTELIJK KADER Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 6. Recht op een eerlijk proces 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. 3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen; d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt. Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 1. Algemeen verbod van discriminatie 1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. 2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden. Wet hersteloperatie toeslagen Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag […]. 2. De geldschulden die worden overgenomen: a. zijn ontstaan na 31 december 2005; b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. 3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn: […]. b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij d