Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:919
202402126/1/R1. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats], appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 30 januari 2024 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan 1 De Draai 2023" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2025, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door A.R. Breetveld-Quispel en J. Vijn, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een uitwerkingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het uitwerkingsplan onherroepelijk is. 2. Het ontwerpplan is op 8 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 3. Het uitwerkingsplan heeft betrekking op een te ontwikkelen nieuwbouwplan op gronden globaal gelegen achter de Beukenlaan 17 in Heerhugowaard. Het uitwerkingsplan is gebaseerd op de bestemming "Wonen - Uit te werken" van het bestemmingsplan "De Draai 2019" (hierna: het moederplan), dat de raad van de toenmalige gemeente Heerhugowaard op 17 december 2019 heeft vastgesteld. Volgens de plantoelichting van het uitwerkingsplan is een uitwerking op deze gronden noodzakelijk om de gewenste stedenbouwkundige invulling van het deelgebied van De Draai, waar deze gronden deel van uitmaken, af te ronden. [appellanten] zijn beiden eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, sectie P, nr. 2455. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 3.495 m² (hierna: het perceel). Het plangebied van het uitwerkingsplan betreft de gronden van dit perceel. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met de aan hun perceel toegekende bestemmingen, omdat zij vrezen hiervan negatieve financiële gevolgen te ondervinden. Zij hebben daarom beroep tegen het uitwerkingsplan ingesteld. Toetsingskader uitwerkingsplan 4. Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, moet het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vaststellen. Bij een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht. Onder die beoordeling valt de vraag of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, als die regels daarvoor de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven. 5. De voor deze procedure relevante planregels van dit bestemmingsplan zijn in het wettelijk kader opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Bespreking beroepsgronden Indeling plangebied en keuze voor bestemmingen 6. [appellanten] betogen dat het college bij de vaststelling van het uitwerkingsplan onvoldoende gewicht heeft toegekend aan hun financiële belang. Zij voeren in dit kader aan dat het uitwerkingsplan op hun perceel, naast de bestemming "Wonen" met bouwvlakken, onder andere voorziet in de bestemmingen "Verkeer" en "Tuin". Zij stellen dat deze plansystematiek leidt tot onvoldoende flexibiliteit voor de ontwikkeling van woningbouw op hun perceel en dat deze wijze van bestem Dit bouwveld bestaat volgens het college uit vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen, met een sloot aan de achterzijde van de percelen en een verkeersontsluiting voor autoverkeer aan de voorzijde. Het college heeft hierbij erop gewezen dat de inrichting van het plangebied op de omgeving van dit bouwveld aansluit en derhalve niet willekeurig is ingetekend. Zo is onder andere met de verkeersbestemming een ontsluitingsweg met een regime van 30 km/u beoogd, die aansluit op de overige wegenstructuur van de omgeving, en zijn de gronden met een tuinbestemming aan de oostzijde van het plangebied als zodanig bestemd, omdat die gronden aansluiten op gronden waar woningen zijn geprojecteerd en de tuinbestemming deel uitmaakt van de voor die woningen voorziene tuinen. 6.4. Gelet op wat hiervoor onder 6.2 en 6.3 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college toereikend heeft gemotiveerd waarom hij wat betreft de gekozen plansystematiek een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang bij de stedenbouwkundige opzet van de wijk De Draai dan aan het (financiële) belang bij meer flexibiliteit voor woningbouw op het perceel van [appellanten]. Voor zover [appellanten] stellen dat de gemeente vrije kavels aanbiedt voor andere projecten in het deelgebied De Draai, begrijpt de Afdeling dit standpunt zo dat zij menen dat het uitwerkingsplan wat betreft de inrichting van het plangebied in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om [appellanten] hierin te volgen, omdat zij op geen enkele wijze hebben geconcretiseerd waarom de situatie op hun perceel vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te beschouwen is als een gelijk geval met de door hen genoemde projecten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college erop heeft gewezen dat de IJsvogel en de Hermelijn geen deel uitmaken van het bouwveld Zomertalingstraat waar het perceel van [appellanten] ligt. [appellanten] hebben voor het overige geen ruimtelijke argumenten genoemd waarom aan hun perceel alleen een woonbestemming met vrije kavels zou moeten worden toegekend. Voor zover [appellanten] hebben gewezen op hun financiële belang bij een zo groot mogelijke verkoopwaarde van hun perceel, overweegt de Afdeling dat door het college is uiteengezet dat de raad van de gemeente Dijk en Waard op 12 juli 2023 een besluit tot onteigening van het perceel van [appellanten] heeft genomen ten behoeve van de uitvoering van het moederplan en het voorliggende uitwerkingsplan en dat de gemeente nog in overleg is met [appellanten] om het perceel te verwerven. Voor zover verwerving van het perceel niet op minnelijke wijze kan plaatsvinden, worden [appellanten] bij een eventuele onteigening op basis van de Onteigeningswet in beginsel volledig schadeloos gesteld. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat aan [appellanten] een adequate financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en dat hun financiële belang daarmee voldoende is gewaarborgd. Het betoog slaagt niet. 7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het uitwerkingsplan niet heeft kunnen vaststellen. Conclusie 8. Het beroep is ongegrond. 9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Tieleman griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026 817 BIJLAGE Bestemmingsplan "De Draai 2019" Artikel 16 Wonen - Uit te werken […] 16.2 Uitwerkingsregels Burgemeester en wethouders werken de in lid 16.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels: 16.2.1 Ten aanzien van wonen a. Maximaal 30 woningen per hectare zijn toegestaan; b. maximaal 2.750 wooneenheden zijn binnen de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Wonen’, ‘