Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:914
202207504/1/R2. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Terheijden, gemeente Drimmelen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2022 in zaak nr. 21/3557 en 21/3832 in het geding tussen: [derde belanghebbende]; [appellant]; en het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen. Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een antennemast op het perceel [locatie] te Terheijden (hierna: het perceel). Bij besluit van 20 juli 2021 heeft het college het door [derde belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 november 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] en [derde belanghebbende] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2021 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bewaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 10 januari 2023 heeft het college het bezwaar van [derde belanghebbende] tegen het besluit van 3 februari 2021, onder aanpassing van de rechtsgrond en aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard. [derde belanghebbende] heeft tegen dit nadere besluit beroepsgronden aangevoerd. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Bij brief van 19 januari 2023 heeft [appellant] zijn hoger beroep ingetrokken. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2025, waar [derde belanghebbende], bijgestaan door mr. D.A.R. Snelders en mr. E.C.J. Wouters, beiden advocaat te Breda, en het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen, vertegenwoordigd door mr. V. Hooghiemstra en A. Bil, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [appellant], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, als partij gehoord. De Afdeling heeft besloten om met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek te heropenen omdat het college tijdig nadere stukken had ingediend die [derde belanghebbende] niet had ontvangen. Vervolgens heeft de Afdeling die nadere stukken aan [derde belanghebbende] toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om hierover een schriftelijke reactie uit te brengen. Tevens heeft de Afdeling aan het college gevraagd om bepaalde andere nadere stukken in te dienen en [derde belanghebbende], nadat het college deze stukken had ingediend, in de gelegenheid gesteld om hierover een schriftelijke reactie uit te brengen. [derde belanghebbende] heeft een schriftelijke reactie ingediend over de aan hem toegezonden stukken. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). 2. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Afbakening geschil 3. Bij besluit van 10 januari 2023 heeft het college het besluit van 20 juli 2021 vervangen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [derde belanghebbende] heeft tegen het besluit van 10 januari 2023 gronden aangevoerd. [appellant] heeft zijn hoger beroep ing Het is volgens [derde belanghebbende] eens te meer van belang dat de berekeningen kloppen omdat de oude mast in 2019 is omgevallen. 6.1. Het college heeft de onderbouwing van zijn standpunt dat de antennemast voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten en daarmee voldoet aan artikel 2.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, gebaseerd op een daartoe opgesteld advies van de gemeentelijke toezichthouder Bouwen en Brandveiligheid. Deze toezichthouder heeft de constructieberekeningen van dit type antennemast en de situatie ter plaatse beoordeeld en is op grond daarvan van mening dat de antennemast voldoende is bestand tegen de daarop werkende krachten als hiervoor bedoeld. Daarbij heeft hij van belang geacht dat naast de voorheen bestaande fundering waarbij 9 m³ beton is gestort met vier funderingsstaven van 8 mm en vier draadeinden van 24 mm van 1 m lengte, er in 2020 daarbij nog 12 chemische ankers van 20 mm met een lengte van 1 m zijn geplaatst. Verder heeft hij van belang geacht dat bovenop de bestaande fundering een betonnen sokkel is gestort van ongeveer 20 cm hoogte en dat alle 16 ankers van de fundering zijn bevestigd aan de geïntegreerde kantelbok van de nieuwe antennedrager. Voorts heeft hij van belang geacht dat de antennedrager met behulp van 9 bouten met een diameter van 20 mm zijn bevestigd aan de geïntegreerde kantelbok, die nu deel uitmaakt van de nieuwe antennedrager. Volgens het college heeft [appellant] deze chemische ankers laten plaatsen door een gerenommeerd bedrijf dat ook dergelijke werkzaamheden uitvoert voor telecommasten van mobiele-telecomoperators. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het advies van de gemeentelijk toezichthouder aannemelijk gemaakt dat de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012. [derde belanghebbende] betoogt tevergeefs dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet in geschil is dat de toezichthouder die de situatie ter plaatse heeft beoordeeld ter zake deskundig is en dat [derde belanghebbende] onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies naar voren heeft gebracht. Het betoog faalt. Is de aanvraag in strijd met de geldende woonbestemming? 7. [derde belanghebbende] betoogt verder dat het college niet heeft onderkend dat de aanvraag in strijd is met de ter plekke geldende woonbestemming. Hij voert daartoe aan dat [appellant] gedurende de hele dag via radiogolven informatie verzendt en ontvangt met zijn 21 m hoge antennemast. Volgens [derde belanghebbende] is de aard, omvang en intensiteit van dit gebruik niet verenigbaar met de woonbestemming. 7.1. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Wonen". Niet in geschil is dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Deze strijdigheid heeft volgens het college betrekking op de maximale bouwhoogte van 4 m als bedoeld in artikel 22.2.4 van de planregels. Het college heeft zich tegelijkertijd in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het gebruik van de antennemast passend is binnen de woonbestemming. Ten aanzien van het betoog dat de aanvraag in strijd is met de geldende woonbestemming overweegt de Afdeling als volgt. 7.2. Niet in geschil is dat de hoogte van de aangevraagde antennemast in strijd met artikel 22.2.4 van de planregels. Dit betekent dat de antennemast waarop de aanvraag ziet, te hoog is om in de woonbestemming te passen. Het college heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gebruik van de antennemast passend is binnen de woonbestemming. Dit kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit, omdat het college vanwege deze strijdigheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in same Daarbij betrekt de Afdeling dat sinds 2006 tot 2019 op dezelfde plek een antennemast heeft gestaan met volgens de bij de bouwvergunning behorende en gewaarmerkte bouwtekeningen dezelfde hoogte in uitgeschoven toestand, namelijk ongeveer 21 m. Verder staat de antennemast in de lintbebouwing aan de rand van het dorp Terheijden, waar weinig huizen staan, maar ook niet midden in het open landschap. De woning van [appellant] staat tussen de mast en het openbaar toegankelijk gebied waardoor de mast in dat gebied slechts beperkt zichtbaar is. Daarbij is ook van belang dat de mast een metalen doorzichtige constructie heeft waardoor deze niet of nauwelijks zon wegneemt in de tuin van omwonenden zoals [derde belanghebbende]. Vanwege bovenstaande omstandigheden, met name dat de antennemast niet gesitueerd is in een woonwijk en dat er van 2006 tot en met 2019 op dezelfde locatie een even hoge mast heeft gestaan, wijkt de situatie zodanig af van die in de uitspraak waar [derde belanghebbende] naar verwezen heeft van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3211), dat deze verwijzing hem niet kan baten. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen grond worden gevonden worden voor het oordeel dat het college onafhankelijk onderzoek had moeten laten verrichten naar de ruimtelijke gevolgen van de antennemast voor de omgeving. 8.2. Ten aanzien van het betoog van [derde belanghebbende] dat de antennemast al bij geringe wind een fluitend geluid maakt dat hem hindert, wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat toezichthouders van de gemeenste meerdere malen op het perceel zijn geweest. Zij hebben toen naar eigen zeggen geen geluid afkomstig van de mast waargenomen. Ook hebben ambtenaren van de gemeente op 15 mei 2025 om 14.00 uur bij windkracht 3 ter plaatse van de antennemast een geluidsmeting verricht. Uit deze meting blijkt dat er geen wind- of installatiegeluid van de antenne hoorbaar is. Volgens de ambtenaren is gezien de constructie ook bij een sterke wind geen windgeluid te verwachten boven het continu aanwezige omgevingsgeluid van het verkeer op de Rijksweg A59 en het incidentele verkeersgeluid van de Molenstraat. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat het door [derde belanghebbende] bedoelde fluitende geluid niet zodanig is dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. [derde belanghebbende] betoogt tevergeefs dat hij geen toelichting heeft mogen geven op de door het college uitgevoerde meting. Naar het oordeel van de Afdeling is [derde belanghebbende] in deze hoger beroepsprocedure voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door het college uitgevoerde geluidsmeting. Verder betoogt [derde belanghebbende] tevergeefs dat onduidelijk is of de geluidsmeting is verricht bij de antennemast in ingeklapte of in uitgeschoven positie, omdat niet in geschil is dat de antennemast zich altijd in uitgeschoven positie bevindt. Voorts betoogt [derde belanghebbende] tevergeefs dat zo’n geluidsmeting dient plaats te vinden op verschillende tijdstippen, verschillende data en onder wisselende weersomstandigheden en dat onduidelijk is of de zendmast tijdens deze meting in gebruik was en in welke richting ze stond. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college uit het betoog van [derde belanghebbende] niet kunnen afleiden dat het fluitend geluid alleen onder specifieke omstandigheden te horen is. Eerst na heropening van het onderzoek heeft [derde belanghebbende] in een schriftelijke uiteenzetting als reactie op de door het college uitgevoerde meting dit naar voren gebracht. Aangezien [derde belanghebbende] in hoger beroep heeft betoogd dat hij bij geringe wind al overlast ondervindt van een fluitend geluid, heeft het college kunnen volstaan met de door hem verrichte geluidsmeting. 8.3. Ten aanzien van het betoog van [derde belanghebbende] dat uit berichtgeving van het Kennispl