Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:908
202403830/1/A3. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Financiën, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 22/5040 in het geding tussen: [verzoeker], wonend in [woonplaats], en de minister. Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2022 heeft de minister het verzoek van [verzoeker] op grond van de artikelen 16 en 17 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) afgewezen. Bij besluit van 24 augustus 2022 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit, voor zover dat over het wissingsverzoek gaat, vernietigd, het besluit van 30 maart 2022 in zoverre herroepen, en bepaald dat de minister binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [verzoeker] in de FSV wist. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. [verzoeker] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere inlichtingen gegeven. [verzoeker] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz, is verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Inleiding 2. Bij brief van 4 februari 2022 heeft [verzoeker] verzocht om, voor zover in hoger beroep van belang, rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij het besluit van 30 maart 2022 heeft de minister dit verzoek afgewezen. De minister heeft het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7865, geoordeeld dat de minister wissing van de persoonsgegevens niet heeft mogen weigeren. Volgens de rechtbank valt wat de minister ten grondslag heeft gelegd aan zijn weigering niet onder een van de uitzonderingsgronden van artikel 17, derde lid, van de AVG. Hoger beroep 4. De minister is het niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Hij voert aan dat hij zich terecht op artikel 17, derde lid, van de AVG heeft beroepen. 4.1. In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:226, heeft de Afdeling de rechtsvraag die ook hier aan de orde is, beantwoord. In die uitspraak, onder 11 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat verwerking van de persoonsgegevens in de FSV voorlopig noodzakelijk is voor de vervulling van taken van algemeen belang. Die taken van algemeen belang zijn het herstel van de onrechtmatige nadelige gevolgen van de FSV en het afleggen van verantwoording in algemene zin over de FSV en de gevolgen daarvan. Daarbij heeft de Afdeling de uitspraak van 6 juli 2023, waarnaar de rechtbank in deze zaak heeft verwezen, vernietigd voor zover het gaat om de weigering van de minister om persoonsgegevens wissen. In de uitspraak van 14 januari 2026, onder 12.4, heeft de Afdeling verder geoordeeld dat het weigeren van de wissing in het daar voorliggende geval evenredig is. Ook in het geval van [verzoeker] komt de Afdeling gelet op wat hij daartoe heeft aangevoerd tot die conclusie. Dat zijn persoonsgegevens ten onrechte in de FSV zijn verwerkt, maakt de weigering om die gegevens te wissen, mede gelet op de maatregelen die de minister heeft genomen om de verdere verwerking ervan te beperken, niet onevenredig. 4.2. Het voorgaande betekent dat de minister het verzoek om wissing heeft mogen afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt. 5. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden ver