Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:903
202203566/1/A3. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Thailand, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2022 in zaken nrs. 21/2170 en 21/4238 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om inzage in zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) ingewilligd. Bij besluit van 17 februari 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Bij besluit van 12 maart 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] op grond van artikel 17 van de AVG om wissing van zijn persoonsgegevens in de FSV afgewezen. Bij besluit van 4 juni 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 mei 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 17 februari 2021 en 4 juni 2021 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere inlichtingen gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz en mr. M. Baarslag, is verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak. Inleiding 2. Bij brief van 14 april 2020 heeft [appellant] de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de minister dat verzoek ingewilligd en een overzicht verstrekt van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij brief van 26 november 2020 heeft [appellant] verzocht om wissing van die persoonsgegevens. Bij besluit van 12 maart 2021 heeft de minister dat verzoek afgewezen, omdat het bewaren van de gegevens nog nodig is voor het onderzoek naar de gevolgen van de FSV voor betrokkenen. De minister heeft het door [appellant] tegen het besluit van 20 oktober 2020 gemaakte bezwaar bij besluit van 17 februari 2021 gegrond verklaard en een overzicht verstrekt van data waarop zijn persoonsgegevens in de FSV zijn aangevuld. De minister heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 12 maart 2021 bij besluit van 4 juni 2021 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 3. Over het besluit van 17 februari 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan het inzageverzoek door een overzicht te verstrekken van de aanwezige persoonsgegevens. Daartoe heeft zij overwogen dat artikel 15, derde lid, van de AVG de minister niet verplicht om de persoonsgegevens van ambtenaren te verstrekken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat dit artikel de minister ook niet verplicht om, naast het verstrekte overzicht, een kopie te verstrekken. Het overzicht stelt [appellant] namelijk in staat om de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren. Volgens de rechtbank blijkt verder uit de verstrekte gegevens niet dat de minister niet alle persoonsgegevens van [appellant] heeft verstrekt. De rechtbank heeft overwogen dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet zo hoeft te zijn dat er brieven van ambtenaren bestaan waarin persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt en waaruit de aanleiding blijkt voor zijn opname in de FSV. Ook betekenen onjuistheden in de verstrekte gegevens volgens de rechtbank niet dat de minister geen volledige inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens van [appellant] zoals die in de FSV staan geregistreerd. Over het besluit van 4 juni 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG, in beginsel gehouden is om de persoonsgegevens van Daarbij heeft de minister een toelichting gegeven op de gegevensverwerking door de Belastingdienst, de doelen daarvan, de soorten persoonsgegevens die worden verwerkt, de geldende bewaartermijnen, de herkomst van persoonsgegevens en het delen van persoonsgegevens. In het besluit van 17 februari 2021 heeft de minister verder, volgens hem onverplicht, vermeld op welke data er ten aanzien van [appellant] mutaties in de FSV hebben plaatsgevonden. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft de rechtbank aanvullend, volgens hem onverplicht, gegevens verstrekt in de categorieën soort fraude, middel, belastingjaar, datum event, competente eenheid, aantekeningen en beconnummer. Op de categorieën soort fraude en datum event heeft de minister een toelichting gegeven. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister [appellant] hiermee in staat heeft gesteld om de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren en de rechten die hij aan de AVG ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Dat de minister het verstrekte overzicht na het besluit van 20 oktober 2020 op de hiervoor beschreven wijze heeft aangevuld, leidt niet tot het oordeel dat de verstrekte persoonsgegevens niet volledig en getrouw zijn gereproduceerd. Dat sommige van de in de FSV opgenomen gegevens mogelijk onjuist zijn, maakt dit niet anders. Het gaat er hier alleen om of de minister de in de FSV opgenomen persoonsgegevens heeft verstrekt, niet of de verstrekte gegevens juist zijn. Dat er gegevens zijn achterhouden, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de minister aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG voldaan. Het betoog slaagt niet. 6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de namen van de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de opneming van [appellant] in de FSV omwille van de privacy van die ambtenaren niet hoeven te worden verstrekt. Volgens hem hebben die ambtenaren hem ten onrechte in de FSV opgenomen en zijn de uitzonderingsbepalingen van de AVG niet bedoeld om onrechtmatig handelende ambtenaren te beschermen. 6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de namen van de door [appellant] bedoelde ambtenaren geen persoonsgegevens van [appellant] zijn en dat de minister deze namen daarom niet hoefde te verstrekken. Artikel 15 van de AVG geeft immers alleen recht op inzage in de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene zelf. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dat betoog behoeft daarom geen inhoudelijke beoordeling. 7. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister wissing van zijn persoonsgegevens heeft mogen weigeren omdat verwerking van die gegevens nodig is voor het vervullen van een aantal taken van algemeen belang. Hij voert aan dat hij slechts wil dat zijn naam wordt verwijderd, omdat hij ten onrechte in de FSV is opgenomen. Volgens hem is het voor het vervullen van de door de rechtbank vermelde taken van algemeen belang niet nodig om zijn naam te bewaren. Hij wijst erop dat zijn naam ten behoeve van te verrichten onderzoek in kopie zou kunnen worden bewaard. 7.1. In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:226, heeft de Afdeling de rechtsvraag die ook hier aan de orde is beantwoord. In die uitspraak, onder 11 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat verwerking van de persoonsgegevens in de FSV voorlopig noodzakelijk is voor de vervulling van taken van algemeen belang. Die taken van algemeen belang zijn het herstel van de onrechtmatige nadelige gevolgen van de FSV en het afleggen van verantwoording in algemene zin over de FSV en de gevolgen daarvan. In die uitspraak, onder 12.4, heeft de Afdeling verder geoordeeld dat het weigeren van de wissing in het daar voorliggende geval evenredig is. Ook in het geval van [appellant] komt de Afdeling gelet op wat [appellant]