Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:896
202301560/1/A3. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Rotterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2023 in zaak nr. 22/3059 in het geding tussen: [wederpartij] en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 14 maart 2022 heeft de burgemeester de woning van [wederpartij] voor drie maanden gesloten. Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 januari 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2022 vernietigd, het besluit van 14 maart 2022 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 oktober 2025, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door J.P. Langenbuch en A.J. Wintjes, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. N. Aydogan, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [wederpartij] huurde de woning aan de [locatie] in Rotterdam. Naar deze woning is onderzoek gedaan door de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, Basisteam Charlois in het kader van artikel 13b Opiumwet. In de naar aanleiding daarvan opgemaakte bestuurlijke rapportage, gedateerd 14 januari 2022, staat het volgende. Op 29 december 2021 kreeg de politie een melding dat in de woning van [wederpartij] harddrugs zouden worden verhandeld. Volgens een mutatierapport verklaarden meerdere melders dat er veel mensen per dag een korte tijd binnen in de woning zijn. Op 6 januari 2022 is naar aanleiding van deze meldingen de woning geobserveerd door politiemedewerkers. Zij zagen dat op de woning directe loop was. Vervolgens hebben de politiemedewerkers de woning met toestemming van [wederpartij] betreden en doorzocht. Bij fouillering werd op het lichaam van [wederpartij] 1,4 gram cocaïne aangetroffen. In de woning zijn twee Xtc-pillen van in totaal 1 gram MDMA, negen pillen cellulose van in totaal 2,1 gram, en twee grammenweegschaaltjes aangetroffen. Ook staat in de bestuurlijke rapportage dat tijdens de doorzoeking meerdere klanten aan de deur kwamen, waarvan twee een verklaring aflegden. 1.1. De burgemeester heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 14 maart 2022 besloten om de woning van [wederpartij] vanaf 21 maart 2022 voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022. Volgens hem is aannemelijk dat er in drugs werd gehandeld vanuit de woning en dat het, gelet op het belang van herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat en het voorkomen van herhaling, noodzakelijk is om de woning voor drie maanden te sluiten. De burgemeester heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bevindingen van de politie er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Daartoe acht de rechtbank van belang dat er een geringe overschrijding van de grens van 0,5 gram harddrugs is aangetroffen. Daarnaast heeft [wederpartij] verklaard dat deze drugs voor eigen gebruik waren bestemd. Verder zijn naast de grammenweegschaaltjes geen andere attributen aangetroffen die wijzen op drugshandel. Ook heeft [wederpartij] schriftelijk verklaard dat hij vaak in de woning rondhangt met vrienden met wie hij ook samen drugs gebruikt en dat onder deze verklaring een groot aantal handtekeningen is geplaatst. Dat desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van drugshandel heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd. Het standpunt dat de drugshandel ook blijkt uit de