Rechtspraak Raad van State 2026-02-13
ECLI:NL:RVS:2026:871
202005625/1/V3. Datum uitspraak: 13 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 september 2020 in zaak nr. 20/1763 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 24 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van 6 februari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Wortel, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. Overwegingen Inleiding 1. Appellant komt naar eigen zeggen uit Noord-Macedonië. Hij heeft sinds 10 oktober 1989 rechtmatig verblijf in Nederland. Met ingang van 4 september 1995 heeft hij een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De minister heeft deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 26 februari 2013 ingetrokken om redenen van openbare orde op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van de Justitiële Informatiedienst waaruit blijkt dat appellant onherroepelijk is veroordeeld voor meer dan drie misdrijven waar een gevangenisstraf van drie jaar of meer op staat. 1.1. Niet in geschil zijn de normen die op grond van artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000 op appellant van toepassing zijn. Deze normen gaan over de verhouding tussen de duur van het rechtmatig verblijf van een vreemdeling en de periode waarvoor die vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor misdrijven. 1.2. Het hoger beroep gaat over de vraag of de misdrijven die de minister aan de intrekking van de verblijfsvergunning van appellant ten grondslag heeft gelegd, vallen onder artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Standpunt appellant 2. In zijn eerste grief betoogt appellant dat de minister ten onrechte de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken. Hij had op het moment van de intrekking van zijn verblijfsvergunning meer dan tien jaar rechtmatig verblijf en beroept zich op artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. De rechtbank heeft volgens hem niet onderkend dat de misdrijven waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld en die de minister aan het besluit van 6 februari 2020 ten grondslag heeft gelegd, geen misdrijven zijn als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Wettelijk kader en relevante rechtspraak 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 4. De wetgever heeft ervoor gekozen om in artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 aan te sluiten bij artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het WvSr. Deze bepalingen gaan over het taakstrafverbod. De minister trekt een verblijfsvergunning van een vreemdeling met een verblijfsduur van minimaal tien jaar niet in, tenzij die vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het WvSr. Dat is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad, of een specifiek misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste l 5.2. Over de pogingen tot diefstal met geweld in vereniging uit 1987 en 1993, de poging tot zware mishandeling uit 1994 en de diefstal met geweld en bedreiging met geweld uit 2000 heeft de minister geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers blijkt. De Afdeling benadrukt dat een intrekking van een verblijfsvergunning een belastend besluit is en dat het aan de minister is om te motiveren dat, en waarom, er een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr is geweest. De minister heeft gewezen op de ernst van de misdrijven, de mogelijke gevolgen ervan voor een slachtoffer en de daadwerkelijk opgelegde gevangenisstraffen, maar dat zijn geen feiten en omstandigheden waaruit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit blijkt in de zin van het onder 4.1 genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2017 en de onder 4 en 4.1 genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2022. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden geven, ook in onderlinge samenhang bezien, namelijk geen duidelijkheid over de daadwerkelijke lichamelijke gevolgen voor de bij de misdrijven betrokken slachtoffers en de ernst ervan. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de minister dat er bij de diefstal in vereniging uit 2000 geweld en bedreiging met geweld is toegepast. Deze feiten en omstandigheden kunnen iets zeggen over de ernst van strafbare feiten, maar leveren geen deugdelijke motivering op voor een conclusie dat het misdrijf ook daadwerkelijk een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. 5.3. Bij de poging tot doodslag uit 2006 heeft de minister gewezen op een verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 9 februari 2007. Daaruit volgt dat bij het slachtoffer als gevolg van het misdrijf een arm uit de kom is geraakt. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat uit alleen deze informatie niet blijkt dat er sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer als bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en de Afdeling over artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr. Hij heeft daarbij een beroep gedaan op een Letsellijst van Schadefonds Geweldsmisdrijven uit augustus 2021. Daaruit blijkt volgens appellant dat een arm uit de kom aangemerkt wordt als de op een na lichtste fysieke letselcategorie, binnen de categorieën nul tot en met zes. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat er door het slachtoffer geen verzoek tot schadevergoeding in de strafzaak is ingediend. De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling niet deugdelijk gemotiveerd waarom het door appellant in 2006 gepleegde strafbare feit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad, als bedoeld onder 4.1. De ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, geven in dit geval geen inzicht in de daadwerkelijke lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer. De door appellant overgelegde Letsellijst van Schadefonds Geweldsmisdrijven is naar het oordeel van de Afdeling overigens op zichzelf bezien van onvoldoende gewicht voor een antwoord op de vraag of de lichamelijke gevolgen van een misdrijf in het desbetreffende geval wel of geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer zijn. Ook het uitblijven van een schadeverzoek van het slachtoffer is voor een antwoord op deze vraag niet bepalend. De minister had echter, gelet op het onderbouwde standpunt van appellant, een nader gemotiveerd standpunt in moeten nemen door concrete informatie over de ernst van de lichamelijke gevolgen voor het betrokken slachtoffer over te leggen dan wel daarover voldoende verifieerbare concrete informatie te verschaffen. Daarbij kunnen bijvoorbeeld de ernst van het spec