Rechtspraak Raad van State 2026-02-16
ECLI:NL:RVS:2026:841
202505953/2/A3. Datum uitspraak: 16 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van: [verzoekster], gevestigd in [plaats], verzoekster, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 november 2025 in zaak nr. 24/3384 in het geding tussen: [verzoekster] en de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2024 heeft de minister afwijzend beslist op het verzoek van [verzoekster] om het bij besluit van 9 mei 2022 afgegeven bemanningscertificaat, geldig van 9 mei 2022 tot en met 1 mei 2027, aan te passen. Bij besluit van 21 mei 2024 heeft de minister aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 21 mei 2024 tot en met 13 augustus 2024. Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de minister het door [verzoekster] tegen het besluit van 6 maart 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft de minister aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 13 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025. Bij besluit van 28 januari 2025 heeft de minister aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 1 februari 2025 tot en met 1 december 2025. Bij uitspraak van 19 november 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] ingestelde beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 21 juni 2024 en 13 augustus 2024 (lees, en hierna: 5 augustus 2024) niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 februari 2025 (lees, en hierna: 28 januari 2025) gegrond verklaard, en het besluit van 28 januari 2025 vernietigd voor zover in het daarbij afgegeven bemanningscertificaat de einddatum van de geldigheid is bepaald op 1 december 2025. De rechtbank heeft de minister opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de einddatum van de geldigheid van dat bemanningscertificaat. Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister aan [verzoekster] een bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 1 december 2025 tot en met 1 mei 2027. [verzoekster] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 2 december 2025. Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [verzoekster] heeft een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tegelijk met zes eensluidende verzoeken van exploitanten van soortgelijke schepen, ter zitting behandeld op 22 januari 2026, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door F.L. Snoek, rechtsbijstandverlener in Jubbega, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. van Dijk-Jonkers en C.W. Kerkmeijer, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de minister met het besluit van 2 december 2025 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en waardoor zij in een nadeliger positie is geraakt. Zij beoogt met het verzoek om een voorlopige voorziening te bewerkstelligen dat de minister alsnog spoedig uitvoering geeft aan de opdracht van de rechtbank. 3. Deze zaak gaat over een bemanningscertificaat voor het zeilschip [naam]. Een schip moet zijn voorzien van een geldig bemanningscertificaat en moet dienovereenkomstig zijn bemand. Een bemanningscertificaat is een certificaat dat door de minister wordt afgegeven, en waarop het minimumaantal bemanningsleden met hun functies aan boord van het betrokken schip staat vermeld. [verzoekster] is het niet eens met de i Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2024, zaaknummers 23/2488 en 24/2326, over een ander schip, heeft de minister bij besluit van 21 mei 2024 alsnog aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 21 mei 2024 tot en met 13 augustus 2024. Op dit bemanningscertificaat is de nieuwe bepaling, die [verzoekster] verwijderd wil zien, vervangen door de oude bepaling zoals die op de eerdere bemanningscertificaten stond vermeld ("At least one crewmember shall be in possession of proficiency in survival craft"). Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van [verzoekster] tegen het besluit van 6 maart 2024 ongegrond verklaard en het standpunt in dat besluit gehandhaafd dat ten minste één bemanningslid moet beschikken over het certificaat reddingmiddelen. Met de bepaling dat tenminste één bemanningslid moet beschikken over het certificaat reddingmiddelen, wijkt de minister al af van het vereiste in artikel 40, tweede lid, van het Bz, ten gunste van het type zeilschepen waartoe [naam] behoort. Volgens het besluit van 21 juni 2024 zal de minister met ingang van 13 augustus 2024 weer de nieuwe bepaling opnemen op het bemanningscertificaat. Dat laatste is feitelijk niet gebeurd. Naar aanleiding van het verzoek van [verzoekster] om het op 21 mei 2024 afgegeven bemanningscertificaat te verlengen gedurende de behandeling van het beroep, heeft de minister bij besluit van 5 augustus 2024 een bemanningscertificaat afgegeven met daarop de oude bepaling, geldig van 13 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025. Op verzoek van [verzoekster] heeft de minister bij besluit van 28 januari 2025 opnieuw een bemanningscertificaat afgegeven met daarop de oude bepaling, geldig van 1 februari 2025 tot en met 1 december 2025. 7. Bij uitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6713, heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat gelet op de wettelijke systematiek van het op grond van het overgangsrecht toepasselijke oude recht het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van het Bz, van toepassing is op het zeilschip [naam]. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreeks werkende verplichting voor [naam] dat de in die bepaling genoemde bemanningsleden beschikken over een certificaat reddingmiddelen. Deze verplichting geldt volgens de rechtbank niet pas als dit expliciet staat vermeld op het bemanningscertificaat. De rechtbank heeft geconstateerd dat de minister in het voordeel van [verzoekster] is afgeweken van de in artikel 40, tweede lid, van het Bz opgenomen verplichting, omdat de minister genoegen neemt met de aanwezigheid van de vaardigheid om te werken met reddingmiddelen in plaats van het certificaat en dat bij slechts één bemanningslid. Volgens de minister heeft deze afwijking plaatsgevonden op basis van buitenwettelijk dan wel tegenwettelijk beleid. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er reden om die begunstigende afwijking op te nemen in het bemanningscertificaat, omdat er zonder die expliciete opname geen kenbaarheid is van de verleende afwijking van de in artikel 40, tweede lid, van het Bz opgenomen verplichting. De rechtbank is niet getreden in de beoordeling of de minister bevoegd was tot het verlenen van de afwijking, omdat [verzoekster] daar geen belang bij heeft. De rechtbank heeft de besluiten van 5 augustus 2024 en 28 januari 2025 aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 6:19 van de Awb, en aangenomen dat de minister met die besluiten aan [verzoekster] is tegemoetgekomen, omdat daarin de bestreden bepaling in het bemanningscertificaat is vervangen door de oude bepaling. De minister is echter gelet op de geldigheidsduur van de bemanningscertificaten niet volledig tegemoetgekomen. [verzoekster] heeft volgens de rechtbank geen belang meer bij het beroep voor zover dat is gericht tegen de besluiten van 21 juni 2024 en 5 augustus 2024. De rechtbank heeft het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De rec Zowel onder het oude als onder het nieuwe recht is er geen wettelijke grondslag voor een afwijking van de verplichting voor de bemanning om in het bezit te zijn van een certificaat reddingmiddelen, zoals voorgeschreven in artikel 40, tweede lid, van het Bz en artikel 3.5.3, eerste lid van het Bbz. De minister heeft die, ook desgevraagd op zitting, niet kunnen aanwijzen. Daargelaten hoe de oude en nieuwe variant van de afwijkingsbepalingen op het bemanningscertificaat moeten worden gekwalificeerd en in het midden latend of artikel 40, tweede lid van het Bz wel of niet op schepen als [naam] van toepassing was, stelt de voorzieningenrechter vast dat de minister deze bepalingen zelf wel steeds heeft aangemerkt als een begunstigende afwijking van de geldende verplichting en dat de groep zeevarende zeilschepen waartoe [naam] behoort hiermee ook volgens de minister in de praktijk een uitzonderingspositie verkreeg in afwijking van het geldende recht. Ter zitting is gebleken dat de minister hieraan ook altijd gevolg heeft gegeven en ook in het buitenland voor dit type zeilschepen te hulp is geschoten indien er bij controles onduidelijkheid bestond over de bepaling op het bemanningscertificaat. Naar het standpunt van de minister is deze uitzonderingspositie onder het nieuwe recht niet meer mogelijk. 13. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz op [naam] van toepassing is en, volgens de minister na een overgangsperiode van een jaar, vanaf 1 juli 2026 rechtstreekse werking heeft. Hieruit volgt dat alle in dat artikel genoemde bemanningsleden met ingang van 1 juli 2026 moeten beschikken over een certificaat reddingmiddelen. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz, een omzetting is van het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van het Bz. De minister stelt dat er na de overgangsperiode van 1 juli 2025 tot 1 juli 2026, niet meer kan worden afgeweken van de verplichting in artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz. De minister heeft echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen waarom de bepaling met de begunstigende afwijking onder het oude recht in de praktijk wel werking had en werkbaar was, maar onder het nieuwe recht niet dezelfde werking kan hebben dan wel niet werkbaar zou kunnen zijn. De minister heeft er in dit kader op gewezen dat de verplichting om te beschikken over een certificaat reddingmiddelen vanaf 1 juli 2026 rechtstreeks geldt zowel bij het aanvragen van een vaarbevoegdheidsbewijs als bij het dienst doen aan boord van een schip. Ook heeft de minister erop gewezen dat de grondslag van de verplichting in artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz, is gelegen in een uitwerking van de artikelen 23 en 25 van de Wbz. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 23 van de Wbz ziet op vaarbevoegdheidsbewijzen. In deze zaak gaat het niet om een vaarbevoegdheidsbewijs, maar om een bemanningscertificaat. De stelling van de minister dat ieder bemanningslid met ingang van 1 juli 2026 hoe dan ook zal moeten voldoen aan de eisen die onder de Wbz worden gesteld aan een vaarbevoegdheidsbewijs, wat een begunstigde afwijkingsbepaling in een bemanningscertificaat zou doorkruisen, kan de voorzieningenrechter niet volgen. [verzoekster] heeft er terecht op gewezen dat op grond van het overgangsrecht in artikel 81 van de Wbz, geldt dat een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven onder het oude recht, zijn geldigheid behoudt en dat op een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs die is ingediend voor de inwerkingtreding van de Wbz, het oude recht van toepassing blijft. Voor die vaarbevoegdheidsbewijzen geldt de verplichting in artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz derhalve nog niet. Voor wat betreft de gestelde grondslag van de aanvullende beroepseisen in artikel 25 van de Wbz heeft [verzoekster] naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht naar voren gebracht dat het bepaalde in dat artikel alleen van toepassing