Rechtspraak Raad van State 2026-01-07
ECLI:NL:RVS:2026:78
202306825/1/R1. Datum uitspraak: 7 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 oktober 2023 in zaak nr. 22/4384 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH). Procesverloop Op 20 december 2021 heeft het college aan [appellant] een vergunning bekend gemaakt voor het plaatsen van een tijdelijke woning op de Vennewatersweg naast nr. […] in Egmond-Binnen (hierna: het perceel). Bij besluit van 26 juli 2022 heeft het college de door [appellant] als ook door [partij A] en [partij B] daartegen gemaakte bezwaren (deels) gegrond verklaard, de van rechtswege gegeven vergunning herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd. Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 juni 2025, waar [appellant], bijgestaan door [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Guarracino, zijn verschenen. Voorts zijn op de zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. Z.P. Kruiver, advocaat in Leiden, als partij gehoord. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat [appellant] het lid van de zittingskamer heeft gewraakt. Het verzoek tot wraking is bij uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 afgewezen. [appellant] en [partij A] en [partij B] hebben nadere stukken ingediend. Op 25 november 2025 heeft de Afdeling de mondelinge behandeling van de zitting van 19 juni 2025 voortgezet, waar [appellant], bijgestaan door [persoon B] en [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Guarracino, zijn verschenen. Voorts zijn [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. Z.P. Kruiver, advocaat in Leiden, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. Inleiding 2. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 9 december 2021 in zaak nr. 21/2276 overwogen dat [appellant] op 3 december 2020, bij het college ingekomen op 7 december 2020, een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Volgens de rechtbank maakt onder meer de omstandigheid dat [appellant] in zijn aanvraag de mogelijkheid heeft opengelaten voor een tijdelijke vergunning voor vijf in plaats van tien jaar niet dat de brief van 3 december 2020 geen aanvraag is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college op die aanvraag niet tijdig heeft beslist, zodat de gevraagde vergunning van rechtswege is gegeven. De rechtbank heeft in die uitspraak het college opgedragen de aan [appellant] van rechtswege gegeven vergunning bekend te maken. Het college heeft vervolgens op 20 december 2021 bekendgemaakt dat op 3 december 2020, ontvangen op 7 december 2020, een aanvraag is ingekomen voor het realiseren van een mobiele seniorenwoning voor de periode van 5 jaar op het perceel en dat de vergunning daarvoor op 1 februari 2021 van rechtswege is gegeven. Het college heeft deze vergunning naar aanleiding van het bezwaar van [partij A] en [partij B] bij besluit van 26 juli 2022 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met de voor het perceel geldende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998". Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het uitoefenen van een volwaardig a 4.1. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, stelt het college zich op het standpunt dat het in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 december 2021 op 20 december 2021 de op 1 februari 2021 van rechtswege gegeven vergunning bekend heeft gemaakt. De Afdeling volgt niet het standpunt van [appellant] dat de bekendmaking niet ziet op de van rechtswege gegeven vergunning. De Afdeling is van oordeel dat de bekendmaking geen twijfel laat over welke aanvraag leidde tot de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. Het gaat om een aanvraag van 3 december 2020, ingekomen bij het college op 7 december 2020, voor de verlening van een vergunning voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Dat volgens [appellant] de in de bekendmaking genoemde geldigheidsduur van de vergunning niet overeenkomt met de volgens hem aangevraagde geldigheidsduur van 10 jaar en in de bekendmaking ten onrechte is opgenomen dat het om een mobiele woning gaat, maakt niet dat de van rechtswege gegeven vergunning niet is bekendgemaakt. De in de bekendmaking genoemde geldigheidsduur heeft geen gevolgen voor de inwerkingtreding van de van rechtswege gegeven vergunning, zoals is aangevraagd door [appellant]. Daarbij komt dat [appellant] in de aanvraag om omgevingsvergunning ook vergunning heeft gevraagd voor de duur van 5 jaar. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat vaststaat dat een demobiele woning is aangevraagd. Het voorgaande betekent dat de van rechtswege gegeven vergunning bekend is gemaakt en in werking is getreden. Het voorgaande betekent ook dat de brief van 20 december 2021 niet kan worden aangemerkt als het reële besluit. De uitspraak van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2071, onder 3.2, waarnaar de rechtbank verwijst, ziet op de situatie dat het bestuursorgaan alsnog een reëel besluit op de aanvraag neemt door de vergunning te weigeren en dat besluit niet in rechte is aangevochten. Dit is hier niet het geval. 4.2. Verder overweegt de Afdeling dat vanaf het moment dat de van rechtswege gegeven vergunning bekend is gemaakt, belanghebbenden bezwaar kunnen maken tegen die vergunning. [partij A] en [partij B] hebben van deze gelegenheid tijdig gebruik gemaakt. Omdat bezwaar is gemaakt tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning, diende het college ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op grondslag daarvan een volledige heroverweging van de bestreden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning uit te voeren. Het college heeft gelet daarop het bouwplan terecht alsnog getoetst aan de in de Wabo opgenomen weigeringsgronden en daarbij tevens beoordeeld of het bereid is om omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3035, onder 3.1. Onder deze omstandigheden is, anders dan [appellant] stelt, van een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo geen sprake. Aan een toets aan de in dat artikel genoemde intrekkingsgronden, wordt daarom niet toegekomen. De Afdeling voegt daaraan toe dat de onderhavige situatie ook niet vergelijkbaar is met een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo. De van rechtswege gegeven vergunning was door de bekendmaking ervan op 20 december 2021 en de omstandigheid dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt nog niet in rechte onaantastbaar. Verder moet het college na een volledige heroverweging van het primaire besluit, in dit geval de van rechtswege gegeven en bekendgemaakte vergunning, dat primaire besluit ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb uitdrukkelijk herroepen als het college na die heroverweging vindt dat de gevraagde vergunning alsnog moet worden geweigerd. 4.3. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in rechtsoverweging 9 van haar uitspraak terecht geoordeeld, zij het op andere gronden, dat het college de van rechtsweg